Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
14/3620 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering moet naar zijn strekking worden beoordeeld. Verwijzing naar vaste rechtspraak van 14 januari 2015. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb naar voren zijn gebracht. In hoger beroep zijn geen nieuwe objectieve medische stukken ingediend. Voor zover beoogd is een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid te doen, is deze melding niet onderbouwd met medische informatie. Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, ontbreekt een deugdelijke en toereikende onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3620 WWAJ

Datum uitspraak: 4 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

16 mei 2014, 13/1027 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1983. Op 13 juni 2001 heeft hij een (eerste) aanvraag voor een uitkering op grond van de toen geldende Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Deze aanvraag is door het Uwv afgewezen, omdat appellant per einde wachttijd minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2.

Appellant heeft vervolgens op 1 februari 2008 een (tweede) aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 12 december 2008 afgewezen, omdat appellant per einde wachttijd in staat is geweest met zijn beperkingen meer dan 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen.

1.3.

Op 8 juni 2010 heeft appellant een (derde) aanvraag voor een uitkering op grond van de op dat tijdstip vigerende Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Bij besluit van 20 augustus 2010 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld niet terug te komen op het eerdere besluit van 12 december 2008, nu gebleken is dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.

1.4.

Op 10 juli 2012 heeft appellant een (vierde) aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend op grond van de Wet Wajong. Bij besluit van 5 november 2012 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 28 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat appellant structureel in staat is geweest zijn maatmaninkomen te verdienen. Ook het actuele verdienvermogen van appellant is meer dan 75% van zijn maatmaninkomen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de aanvraag van 10 juli 2012 aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu ook deze aanvraag, evenals de vorige aanvragen, ziet op toekenning van een Wajong-uitkering. Tegen de voorafgaande besluiten zijn geen (verdere) rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte vaststaan. De in de bezwaarfase aangevoerde omstandigheden zijn geen nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Dat appellant psychische klachten heeft is naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw feit. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat reeds in 2008 en 2010 met de psychische klachten van appellant rekening is gehouden en dat deze bij het vaststellen van de beperkingen zijn meegewogen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het gestelde lage intelligentieniveau, het ontbreken van aanpassingsvermogen en het lage concentratievermogen. Appellant had, indien hij van mening was dat het Uwv in de eerdere besluitvorming onvoldoende rekening had gehouden met hetgeen door hem naar voren was gebracht, tegen deze besluitvorming rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Dit geldt ook ten aanzien van de stelling van appellant dat hij onder 100% begeleiding stond. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom deze informatie niet eerder naar voren gebracht had kunnen worden. Dat appellant meent dat sprake is van een verergering van de klachten, speelt volgens de rechtbank in de toetsing in het kader van artikel 4:6 van de Awb geen rol en blijft onbesproken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv de sinds zijn jeugd aanwezige psychische en lichamelijke beperkingen heeft onderschat. Ten gevolge van deze beperkingen acht appellant zich niet in staat 75% van het minimumloon te verdienen. Dankzij de hulp van bevriende werkgevers is appellant slechts in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan het arbeidsproces, maar hij is niet in staat gebleken zijn baan te behouden. Pas nadat de diagnoses door de psycholoog zijn gesteld kon het werkgedrag en de vele ontslagen van appellant worden verklaard. De verzekeringsartsen hebben geen rekening gehouden met de beperkingen die door de psycholoog zijn genoemd. Met het psychologische onderzoek en de bevindingen van de psycholoog in combinatie met de verklaringen van de werkgevers en coaches van appellant wordt onderbouwd dat hij recht heeft op een

Wajong-uitkering. De rechtbank had volgens appellant in deze stukken nieuwe feiten en omstandigheden moeten zien die onderbouwen dat hij recht heeft op een Wajong-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraken van 14 januari 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:1 en ECLI:NL:CRVB:2015:2) moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.

4.2.

In de uitspraken van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.

4.3.

Zoals onder 4.1 is overwogen, moet de aanvraag van appellant naar zijn strekking worden beoordeeld. Met het verzoek van 10 juli 2012 heeft appellant beoogd dat het Uwv terugkomt van de beoordeling van zijn belastbaarheid op 4 september 2001. Ter zitting heeft appellant het standpunt ingenomen dat hij daarnaast een beroep heeft willen doen op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat hij om herziening heeft verzocht voor de toekomst.

4.4.1.

Voor zover het verzoek betrekking heeft op de beoordeling die is gemaakt in 2001 is appellant overeenkomstig artikel 4:6 van de Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen. Ter onderbouwing van zijn verzoek om zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen heeft appellant medegedeeld dat hij gezien zijn psychische klachten arbeidsongeschikt is en altijd onder beschutte arbeidsomstandigheden heeft gewerkt. In bezwaar heeft appellant verwezen naar de brieven van psycholoog Heutink van 6 mei 2012 en 4 maart 2013.

4.4.2.

In de brief van Heutink van 6 mei 2012 is onder meer vermeld dat appellant op Heutink een indruk maakt van een kandidaat voor de Wajong. De tijdens de stage onder begeleiding verrichte eenvoudige klusjes gingen appellant redelijk af. De beperkingen die door de verzekeringsarts in een eerdere beoordeling zijn gegeven zijn voor Heutink aanleiding om appellant in aanmerking te laten komen voor een beschutte werkplek vanuit een

Wajong-status. De werkomstandigheden tijdens stageperioden en later in regulier werk zijn volgens de psycholoog gelijk geweest aan die van een WSW-situatie, omdat zeer eenvoudige werkzaamheden zijn verricht zonder tijdsdruk onder voortdurende begeleiding. Uit de brief van Heutink van 4 maart 2013 volgt dat de psycholoog de diagnoses zwakbegaafdheid, aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag en een persoonlijkheidsstoornis heeft gesteld. De intelligentie is als laag beoordeeld (IQ-score 75) en de GAF-score is gesteld op 40. De behandeling had volgens Heutink een begeleidend karakter, die geen resultaat hebben gehad omdat appellant op eigen initiatief is overgestapt naar een andere begeleidingsorganisatie. De veranderingsmogelijkheden van appellant zijn volgens de psycholoog mede door de zwakbegaafdheid en de persoonlijkheidsproblematiek uiterst beperkt.

4.4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat wat appellant ter onderbouwing van zijn aanvraag van 10 juli 2012 en zijn bezwaar naar voren heeft gebracht, niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Met de brieven van de psycholoog van 6 mei 2012 en 4 maart 2013, en de door appellant gestelde omstandigheden, zijn er geen nieuwe medische feiten en omstandigheden over de gezondheidssituatie van appellant op 4 september 2001 naar voren gebracht. De overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe objectieve medische stukken ingediend die zijn standpunt onderbouwen, zodat de Raad geen aanleiding ziet voor een ander oordeel.

4.5.

Voor zover appellant met zijn laatste aanvraag heeft beoogd tevens een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid te doen, moet hij feiten of omstandigheden aandragen die deze melding ondersteunen. Nu appellant niet heeft aangegeven vanaf wanneer zijn klachten zijn verergerd en zijn standpunt dat hij toegenomen arbeidsongeschikt is niet heeft onderbouwd met informatie van een medicus, ziet de Raad geen aanleiding appellant daarin te volgen.

4.6.

Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, voldeed deze uiterlijk in de bezwaarfase evenmin aan de daaraan te stellen eisen van een deugdelijke en toereikende onderbouwing en, voor zover mogelijk, relevant bewijs. Gelet hierop bestaat er ook geen aanleiding appellant te volgen in zijn standpunt dat hij vanaf het moment van zijn aanvraag in de toekomst recht heeft op een Wajong-uitkering.

4.7.

De rechtbank heeft het betreden besluit dan ook terecht in stand gelaten.

4.8.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en

E.W. Akkerman en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) K. de Jong

NK