Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
14/3225 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging forfaitaire tegemoetkoming in de vervoerskosten. Geen medische reden om de toegekende vervoervoorziening in de vorm van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer, individueel van deur tot deur, voor appellant ongeschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3225 WMO

Datum uitspraak: 11 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 mei 2014, 13/1542 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.F.A. Bronneberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1994 een forfaitaire tegemoetkoming in de vervoerskosten. Bij besluit van 20 december 2012 heeft het college deze tegemoetkoming met ingang van

1 januari 2013 beëindigd en aan appellant per die datum op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vervoervoorziening in de vorm van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV), individueel van deur tot deur, toegekend. Als afbouwregeling is hierbij aan appellant over het eerste kwartaal van 2013 een bedrag van

€ 215,- toegekend.

1.2.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Aangevoerd is onder meer dat het CVV voor appellant wegens zijn medische beperkingen niet passend is, omdat hij niet samen met anderen vervoerd kan worden. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar een brief van huisarts S. Sluysman van 4 januari 2013 en een medische verklaring van reumatoloog H.H.M.L. Houben van 20 januari 1997.

1.3.

Bij besluit van 11 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het CVV is verruimd, in die zin dat individueel reizen, zonder medepassagiers, met het CVV mogelijk is geworden. Volgens het college is het CVV in deze vorm passend voor appellant. Door de afbouwregeling kan appellant zich aan de nieuwe situatie aanpassen.

1.4.

Tijdens het beroep bij de rechtbank is door het college medisch advies gevraagd aan de MO-zaak. De arts van de MO-zaak concludeert in zijn rapport van 7 februari 2014 dat collectief vervoer voor appellant een adequate voorziening is en dat er geen actuele reden is voor individueel collectief vervoer of een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten. De MO-arts heeft bij zijn beoordeling de brief van huisarts Sluysman van 4 januari 2013 en de medische verklaring van reumatoloog Houben van 20 januari 1997 betrokken. Daarnaast heeft de MO-arts eigen onderzoek verricht en nadere informatie bij de huisarts ingewonnen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat het medisch advies van de MO-zaak van 7 februari 2014 zorgvuldig tot stand is gekomen en dat appellant geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat dit advies onjuist is. Appellant heeft zijn stelling dat zijn medische situatie is verslechterd niet onderbouwd met een recente medische verklaring. Uit de brief van de huisarts van 4 januari 2013 valt deze verslechtering niet af te leiden. De rechtbank is met het college van oordeel dat uitgaande van het advies van de MO-zaak er geen medische noodzaak is om appellant een forfaitaire vervoersvoorziening toe te kennen. CVV in de vorm van individueel van deur tot deur moet in het geval van appellant als een adequate voorziening worden beschouwd, waarmee zijn beperkingen in voldoende mate zijn gecompenseerd. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Volgens appellant had het college aan hem een forfaitaire tegemoetkoming moeten toekennen. Uit de reeds in bezwaar overlegde stukken volgt dat zijn medische situatie is verslechterd. Deze verslechtering strookt met het progressieve karakter van zijn ziekte en is onvoldoende in de beoordeling betrokken. Aan appellant is recent ook een gehandicaptenparkeerkaart toegekend. Het vervoer per auto is volgens appellant belangrijk voor zijn zelfstandigheid en zijn zelfredzaamheid en het CVV kan hem dit niet bieden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom zij niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

4.2.

Met betrekking tot de stelling van appellant dat uit de brief van huisarts Sluysman van

4 januari 2013 zou volgen dat zijn medische situatie is verslechterd, overweegt de Raad aanvullend dat deze brief bij het medisch advies van de MO-zaak van 7 februari 2014 is betrokken en dat de arts hierin geen reden heeft gezien om het CVV voor appellant ongeschikt te achten.

4.3.

De omstandigheid dat aan appellant een gehandicaptenparkeerkaart is toegekend, leidt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank, omdat bij dergelijke aanvragen een ander toetsingskader wordt gehanteerd.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.S.E.S. Umans

AP