Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
13/4079 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Onjuiste vaststelling van de maatgevende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4079 ZW

Datum uitspraak: 2 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2013, 13/1513 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. J.M.M. Brouwer, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. J.H. Ermers.

Vervolgens is het onderzoek heropend, waarna door zowel het Uwv als appellante nadere stukken zijn overgelegd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, voorheen werkzaam als sales coördinator gedurende 32 uur per week bij een fitnessclub, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet op

24 mei 2011 ziek gemeld vanwege vermoeidheids- en pijnklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding is aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft het Uwv het recht op ZW-uitkering van appellante met ingang van 13 augustus 2012 beëindigd, omdat zij per die datum geschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 21 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de conclusie van de arbeidskundige bezwaar en beroep dat de maatgevende arbeid een niet al te zware kantoorbaan betreft, onjuist is, waarbij het Uwv ten onrechte niet heeft getoetst aan het vijfde lid van artikel 19 van de ZW. De werkzaamheden bestonden tevens uit het geven van rondleidingen, ledenwerving en het organiseren van evenementen, waarbij in wisselende diensten werd gewerkt. Tevens was sprake van een hoge werkdruk, stress en een hoge verantwoordelijkheid. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst appellante naar de functieomschrijving die in bezwaar is overgelegd. Verder is de verzekeringsarts bezwaar en beroep te veel afgegaan op de diagnose fibromyalgie en is onvoldoende gekeken naar de beperkingen van appellante, zoals die door diverse artsen - reumatoloog, psycholoog, revalidatiearts, huisarts en internist - zijn vastgesteld. Appellante verzoekt om een deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van een verzekerde, die zich als werkloze werknemer heeft ziek gemeld en daarom geen werkgever heeft, onder zijn arbeid verstaan de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever doorgaans kenmerkend voor die arbeid zijn.

4.2.

Allereerst dient vastgesteld te worden wat de voor appellante maatgevende arbeid is. Appellante heeft de conclusie van de arbeidskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van

13 december 2012 dat het om een fysiek niet te zware kantoorbaan gaat, gemotiveerd betwist. Appellante stelt dat de daarin opgenomen functieomschrijving onjuist is, omdat onvoldoende rekening is gehouden met haar overige werkzaamheden, bestaande uit het rondleiden van nieuwe/potentiële leden, het organiseren van evenementen en het behalen van targets.

4.3.

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het Uwv van een onjuiste belasting in de maatgevende functie is uitgegaan. De managementwerkzaamheden dienen buiten beschouwing te worden gelaten nu deze slechts tijdelijk door appellante zijn verricht en dus niet als werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid van artikel 19 van de ZW kunnen worden beschouwd. Maar op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bij de Raad behoorden tot de maatgevende werkzaamheden - naast de kantoorwerkzaamheden - tevens andere activiteiten zoals het rondleiden van mensen, het organiseren van evenementen en het behalen van targets. Bevestiging van het standpunt van appellante dat haar werkzaamheden uit meer dan alleen kantoorwerkzaamheden bestonden vindt de Raad in de e-mail van de werkgever van 24 juni 2015, waarin vermeld is dat de functie van appellante voornamelijk bestond uit salesactiviteiten, waaronder het geven van rondleidingen, het bezoeken van evenementen en het rondlopen om flyers uit te delen. De conclusie van de arbeidskundige bezwaar en beroep dat het met name om een (zittende) kantoorfunctie gaat is daarom onjuist. Het bestreden besluit berust daarmee op een ondeugdelijke grondslag en is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. Het bestreden besluit is door de rechtbank ten onrechte in stand gelaten, zodat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.

4.4.

De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen blijven.

4.5.

De Raad heeft het Uwv verzocht om, uitgaande van de ruimere belasting in de maatgevende functie zoals omschreven onder 4.3, gemotiveerd toe te lichten of appellante per 13 augustus 2012 geschikt kan worden geacht tot het verrichten van haar arbeid. Hierop hebben zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 19 mei 2015 en

25 juni 2015 als de arbeidskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 25 juni 2015 gereageerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt zich op het standpunt dat de fysieke belasting in de functie gering is en dat appellante de neiging had meer taken naar zich toe te trekken dan nodig is. Onduidelijk is wat hij bedoelt met de opmerking: “in het licht van de beperkte werkomvang”. Ook de arbeidskundige bezwaar en beroep vindt dat appellante haar taken zelf heeft verzwaard en dat de werkdruk normaal was. Hij gaat er vanuit dat de functie veel zittend werk omvatte, hetgeen niet strookt met de hiervoor genoemde gegevens. De Raad is van oordeel dat in deze rapporten in onvoldoende mate naar voren komt dat rekening is gehouden met de juiste belasting in de maatgevende functie, zijnde werkzaamheden met zowel lichamelijk als psychisch belastende aspecten. Door het Uwv is daarom onvoldoende gemotiveerd dat de beperkingen van appellante geen belemmering vormden om de maatgevende arbeid te verrichten.

4.6.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.5 worden de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand gelaten. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit zullen worden vernietigd, en het besluit van 7 augustus 2012 zal worden herroepen. De beroepsgronden die betrekking hebben op de medische beoordeling worden, nu het hoger beroep reeds slaagt op grond een onjuiste vaststelling van de maatgevende arbeid, buiten beschouwing gelaten.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat, gelet op het vorenstaande, ingevolge artikel 8:75 van de Awb, aanleiding. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de door appellante in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand, alsmede in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op

€ 980,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 980,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede € 21,40 reiskosten in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 januari 2013;

- herroept het besluit van 7 augustus 2012;

- veroordeelt het Uwv in de (proces)kosten van appellante van in totaal € 2.961,40;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D. van Wijk

AP