Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
14/5015 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstand. Het college is echter uitgegaan van 16 augustus 2013 in plaats van 13 augustus 2013 als ingangsdatum van de bijstand. Desgevraagd heeft het college bij brief van 9 september 2015 bevestigd dat de feitelijke ingangsdatum van de bijstand 16 augustus 2013 is geweest. De betaling van de bijstand is om uitvoeringstechnische redenen op 19 augustus 2013 ingegaan, omdat appellant gedurende de periode van 19 tot en met 21 augustus 2013 geen recht had op bijstand omdat hij toen gedetineerd was. Dit laat echter onverlet dat appellant zich drie dagen eerder heeft gemeld dan de ingangsdatum die het college heeft gehanteerd. Appellant heeft aldus gedurende drie dagen geen bijstand ontvangen, terwijl hij daarop wel recht had. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij de in het primaire besluit van 16 september 2013 genoemde ingangsdatum in stand is gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5015 WWB

Datum uitspraak: 10 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 augustus 2014, 14/1720 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 september 2015. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is dakloos en heeft zich op 13 augustus 2013 gemeld bij het Uwv Werkbedrijf Leiden voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft op het aanvraagformulier als gewenste ingangsdatum van de bijstand 8 november 2011 vermeld. Als reden daarvoor heeft hij te kennen gegeven dat hij op 8 oktober 2011 heeft geprobeerd een daklozenuitkering aan te vragen in Den Haag, maar dat hij toen werd doorgestuurd naar Leiden. Daar werd hij echter weggestuurd. Appellant meent dat hij al

21 maanden van het kastje naar de muur is gestuurd, terwijl hij recht heeft op een uitkering.

1.2.

Bij besluit van 16 september 2013, gehandhaafd bij besluit van 18 februari 2014 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover van belang, aan appellant met ingang van

16 augustus 2013 bijstand toegekend. Het verzoek van appellant om bijstand over de periode van 8 november 2011 tot 16 augustus 2013 is daarbij afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij als dakloze de uitnodiging voor de zitting van de rechtbank te laat heeft ontvangen waardoor hij twee getuigen niet heeft kunnen oproepen. Hij heeft aangekondigd deze getuigen alsnog te willen oproepen voor de zitting bij de Raad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast. Wanneer het college heeft vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.3.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat appellant geen bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld heeft aangevoerd. Voor zover appellant met zijn stelling, dat hij vanaf 2011 van het kastje naar de muur is gestuurd, heeft willen betogen dat hij van het doen van een aanvraag is afgehouden, of dat hem onjuiste informatie is verstrekt, heeft hij dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit het overgelegde registratieformulier valt af te leiden dat appellant in 2011 heeft getracht bijstand aan te vragen in de gemeente

Den Haag. Van één of meer meldingen van appellant in de gemeente Leiden in de periode vanaf november 2011 tot 16 augustus 2013, zoals door appellant gesteld, ontbreekt volgens de rechtbank echter iedere onderbouwing.

4.4.

Uit wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd maakt de Raad op dat hij door het oproepen van getuigen alsnog heeft willen onderbouwen dat hij zich al in 2011 in Leiden heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in 4.3 verder niet gemotiveerd bestreden. Nu appellant geen getuigen heeft opgeroepen en niet ter zitting is verschenen, ziet de Raad geen aanleiding om ervan uit te gaan dat appellant zich eerder heeft gemeld dan op 13 augustus 2013.

4.5.

Zoals onder 4.2 is overwogen moet als ingangsdatum van de bijstand de datum van melding worden genomen. Het college is echter uitgegaan van 16 augustus 2013 in plaats van 13 augustus 2013 als ingangsdatum van de bijstand. Desgevraagd heeft het college bij brief van 9 september 2015 bevestigd dat de feitelijke ingangsdatum van de bijstand 16 augustus 2013 is geweest. De betaling van de bijstand is om uitvoeringstechnische redenen op

19 augustus 2013 ingegaan, omdat appellant gedurende de periode van 19 tot en met

21 augustus 2013 geen recht had op bijstand omdat hij toen gedetineerd was. Dit laat echter onverlet dat appellant zich drie dagen eerder heeft gemeld dan de ingangsdatum die het college heeft gehanteerd. Appellant heeft aldus gedurende drie dagen geen bijstand ontvangen, terwijl hij daarop wel recht had. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij de in het primaire besluit van 16 september 2013 genoemde ingangsdatum in stand is gelaten.

4.6.

Aanleiding bestaat voorts om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Appellant had recht op bijstand vanaf 13 augustus 2013, met een onderbreking van drie dagen voor de periode dat hij gedetineerd was. De Raad zal daarom het besluit van 16 september 2013 herroepen en de ingangsdatum van de bijstand bepalen op 13 augustus 2013 in plaats van op 16 augustus 2013.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 18 februari 2014 voor zover daarbij de in het besluit van

16 september 2013 genoemde ingangsdatum in stand is gelaten;

- herroept het besluit van 16 september 2013 in die zin dat de ingangsdatum van de bijstand

wordt bepaald op 13 augustus 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde gedeelte van het besluit van 18 februari 2014;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2015.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) A. Stuut

HD