Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
14/1491 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling laten van de bijstandsaanvraag. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens zijn overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1491 WWB

Datum uitspraak: 10 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

7 februari 2014, 13/945 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Osmic, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Hangende het hoger beroep heeft mr. C. Berends, advocaat, zich als gemachtigde gesteld in de plaats van mr. Osmic.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Appellante is, met bericht vooraf, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.H.J.M. Kalmar.


OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 18 september 2012 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij brief van 27 september 2012 heeft het college appellante uitgenodigd voor een intakegesprek op 9 oktober 2012 en haar verzocht om bij die gelegenheid een aantal stukken, zoals vermeld in de bijlage, over te leggen. Omdat appellante bij het gesprek op 9 oktober 2012 niet alle stukken had overgelegd, kon zij deze uiterlijk

12 oktober 2012 naleveren op het Werkplein Maastricht.

1.2.

Bij brief van 15 oktober 2012 heeft het college appellante een hersteltermijn geboden voor het verstrekken van de nog ontbrekende gegevens tot uiterlijk 29 oktober 2012. Het college heeft appellante erop gewezen dat het niet verstrekken van de gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling wordt gelaten. Op 29 oktober 2012 heeft appellante alleen bankafschriften van haar ING-rekening ingeleverd en niet de afschriften van haar Rabobankrekening en van de Kredietbank, noch een kopie van de voorlopige teruggave 2012.

1.3.

Bij besluit van 31 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 januari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van

artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de gevraagde gegevens niet of niet volledig binnen de gegeven hersteltermijn heeft verstrekt.

1.4.

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft het college aan appellante met ingang van

21 november 2012 bijstand op grond van de WWB toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert, samengevat, aan dat haar bewindvoerder [naam] tijdig de stukken met betrekking tot de voorlopige teruggave 2012 heeft ingeleverd, dat de afschriften van de Rabobankrekening niet konden worden aangeleverd en dat [naam] de overzichten van de Kredietbank eveneens tijdig heeft ingeleverd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens van belang zijn om het recht op bijstand vast te stellen. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of appellante de door het college gevraagde gegevens binnen de aan haar gegeven termijn heeft verstrekt dan wel kon verstrekken.

4.3.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de gevraagde gegevens tijdig heeft overgelegd noch dat het onmogelijk was om deze gegevens over te leggen. Gelet op de verklaring van [naam] heeft hij na een gesprek met appellante op 26 oktober 2012 alleen gegevens met betrekking tot de voorlopige teruggave 2012 in de postbus in de hal van het Werkplein van de gemeente gedeponeerd. Voorts heeft de gemachtigde van het college tijdens de behandeling ter zitting toegelicht dat appellante bij de nieuwe aanvraag van 21 november 2012 wel de onder 1.2 bedoelde afschriften van de Rabobankrekening heeft overgelegd alsook die van de Kredietbank, zodat het betoog van appellante dat het niet mogelijk was om deze stukken te leveren, geen doel treft.

4.4.

Uit 4.2 tot en met 4.3 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de bij de brief van 15 oktober 2012 gestelde hersteltermijn heeft overgelegd.
4.5. Uit 4.4 vloeit voort dat het college bevoegd was om de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen.

4.6.

In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.L. Meijer

HD