Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3937

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
13/4332 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ANW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Bewijslast onweerlegbaar rechtsvermoeden. Waarde van handgeschreven tekst in de Nederlandse taal op onderzoekformulier. Betrokkene, die de Nederlandse taal niet machtig is, tekent wel, maar wist hij ook waarvoor hij tekende? Gezien de omstandigheden en in aanmerking genomen dat betrokkene ontkent samen met B een kind te hebben, vormt de handgeschreven tekst geen bewijs dat betrokkene de biologische vader van S is. Dit betekent, bij gebreke van ander bewijs, dat appellant niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat betrokkene de biologische vader van S is. Het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw is niet van toepassing. Geen feitelijke grondslag voor het bestaan van wederzijdse zorg tussen betrokkene en S.

Wetsverwijzingen
Algemene nabestaandenwet
Algemene nabestaandenwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/7 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4332 ANW

Datum uitspraak: 10 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2013, 12/3261 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] , Bosnië-Herzegovina (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F. Naghi-Zadeh, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Naghi-Zadeh. Als tolk is verschenen L. Pomper.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving sinds 1 november 2005 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Hij is in februari 2008 samen met zijn dochter [naam dochter] , geboren [in] 2002, geremigreerd naar Bosnië-Herzegovina, en is gaan wonen op het adres [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

[naam 1] (B) stond ten tijde hier van belang in Bosnië-Herzegovina ingeschreven op het adres [adres 2] . Zij heeft op 4 maart 2010 een kind gekregen, genaamd [naam kind] (S). Op de geboorteakte is de naam van de vader niet opgenomen.

1.3.

In het kader van een Anw-steekproef bij Anw-gerechtigden die in Bosnië-Herzegovina wonen, hebben [naam 2] (AK) en [naam 3] (MK) van het Controle Team Buitenland van de Sociale verzekeringsbank (Svb), op 6 oktober 2011 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Bij dat huisbezoek is B aangetroffen. Tijdens het huisbezoek heeft betrokkene een verklaring afgelegd aan de hand van een formulier ‘Onderzoek Anw’ (onderzoekformulier). MK is daarbij als tolk opgetreden. De op het formulier voorgedrukte vragen zijn zowel in de Nederlandse taal als in de Bosnische taal opgenomen. Rubriek 4 van dit formulier - “Gezamenlijke huishouding/ [naam 4] - omvat twee vragen. Bij vraag 4.1, “Wonen er nog meer personen op [het uitkeringsadres]”, is aangekruist: “ja, vul gegevens in hieronder (vul checklist “gezamenlijke huishouding” in)” en bij vraag 4.2, “Staan er meer personen op [het uitkeringsadres] geregistreerd”, “Nee”. Daaronder is bij de “Gegevens van partner/kostganger/onderhuurder/anders” de (voor)naam, geboortedatum en nationaliteit van B vermeld. Bij de gegevens van B is voorts handgeschreven de volgende tekst opgenomen: [naam 1] woont sinds december 2008 bij de heer [naam 5] . [naam 1] is de partner van dhr. [naam 5] Dhr. [naam 5] en mw. [naam 1] hebben samen een kind [naam kind] (4-3-2010)”. In rubriek 8 (“Ondertekening/Potpis”) heeft betrokkene na de tekst “Ondergetekende verklaart dat alle vragen naar waarheid zijn beantwoord” zijn handtekening gezet.

1.4.

Appellant heeft vervolgens de betaling van de nabestaandenuitkering van betrokkene met ingang van oktober 2011 stopgezet. Op 7 november 2011 heeft betrokkene zich bij de

Svb-vestiging te Leiden vervoegd, vergezeld van een tolk, met de vraag waarom hij geen nabestaandenuitkering meer kreeg. De Svb-medewerker die betrokkene te woord heeft gestaan, heeft van het naar aanleiding van deze vraag gevoerde gesprek een verslag gemaakt. Daaruit komt het volgende naar voren. De Svb-medewerker heeft betrokkene uitgelegd dat de nabestaandenuitkering niet wordt uitbetaald, omdat is vastgesteld dat betrokkene met iemand samenwoont. Betrokkene heeft gezegd dat dit niet juist is, dat er soms een vrouw komt die voor hem en zijn dochter zorgt, maar dat zij niet bij hem woont, dat hij tijdens het controlebezoek op 6 oktober 2011 weinig heeft begrepen van de controleurs en denkt dat zij hem ook niet hebben begrepen en dat hij geen kind heeft van deze vrouw.

1.5.

Naar aanleiding van de resultaten van het huisbezoek op 6 oktober 2011, neergelegd in het door betrokkene ondertekende onderzoekformulier, heeft de Svb bij besluit van

14 december 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 mei 2012 (bestreden besluit), de nabestaandenuitkering van betrokkene met ingang van januari 2009 ingetrokken. Aan het bestreden besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene, zonder dit aan de Svb door te geven, vanaf december 2008 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met B. De Svb is daarbij uitgegaan van de verklaring die betrokkene tijdens het huisbezoek heeft afgelegd.

1.6.

Na bij brief van 14 december 2011 het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt, heeft de Svb bij besluit van 14 juni 2012 de over de periode van januari 2009 tot en met september 2011 teveel betaalde nabestaandenuitkering van betrokkene teruggevorderd tot een bedrag van € 37.828,80 en tevens een boete aan betrokkene opgelegd van € 2.269,-.

1.7.

Bij besluit van 5 november 2012 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij vanaf april 2012 weer recht heeft op een nabestaandenuitkering, omdat hij de gezamenlijke huishouding heeft beëindigd binnen zes maanden na het intrekkingsbesluit van 14 december 2011.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 14 december 2011 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen. AK en MK zijn ter zitting als getuigen gehoord. MK heeft verklaard dat zij tijdens het huisbezoek als tolk heeft gefungeerd, dat zij niet als tolk is beëdigd, dat zij in Nederland is geboren en van kinds af de Servo-Kroatische taal heeft gesproken, maar tevens de Bosnische taal beheerst, en dat zij de in de Nederlandse taal op het onderzoekformulier bijgeschreven opmerkingen voor betrokkene heeft vertaald. Op grond van de afgelegde getuigenverklaringen wordt vastgesteld dat B tijdens het huisbezoek aanwezig was, maar dat AK en MK haar niet hebben gehoord, terwijl dit wel mogelijk was geweest, dat de rapporteurs niet binnen zijn geweest en dat de checklist gezamenlijke huishouding waarnaar op het onderzoekformulier is verwezen, niet is ingevuld. Deze omstandigheden, waarbij betrokkene zijn tegenover AK en MK afgelegde verklaring heeft ontkend en heeft gesteld dat MK hem niet heeft begrepen, zijn van dien aard dat de Svb niet de conclusie had mogen trekken dat betrokkene en B hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Het had op de weg van AK en MK gelegen om datgene wat betrokkene heeft verklaard ook in het Bosnisch te noteren, wat volgens MK ook mogelijk was geweest, om zo twijfel over wat betrokkene daadwerkelijk heeft verklaard te voorkomen. Nu appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene en B hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Voor zover appellant ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding, omdat uit de relatie tussen betrokkene en B een kind is geboren, wordt dit standpunt niet gevolgd. Appellant heeft niet slechts kunnen afgaan op de juistheid van de aanvankelijk door betrokkene afgelegde en ondertekende verklaring.

3. Appellant heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd. Betrokkene kan worden gehouden aan zijn eerste verklaring die hij op 6 oktober 2011 tegenover AK en MK heeft afgelegd. De schriftelijke verklaring van betrokkene is zowel in het Nederlands als in de eigen taal van betrokkene opgesteld. De rechtbank heeft ten onrechte en in weerwil van bestendige rechtspraak van de Raad geoordeeld dat betrokkene niet aan deze verklaring kan worden gehouden. De enkele ontkenning van betrokkene dat hij een gezamenlijke huishouding voert, is onvoldoende om af te wijken van zijn op 6 oktober 2011 afgelegde verklaring. De in de rechtspraak relevant geachte omstandigheden om iemand niet aan zijn eerste verklaring te houden, te weten misleiding, het uitoefenen van ontoelaatbare druk, feitelijk onjuiste verklaringen en intimidatie, doen zich in dit geval niet voor. Met betrekking tot de communicatie tussen MK en betrokkene heeft MK verklaard dat van miscommunicatie niet is gebleken, dat betrokkene zich volledig bewust was van wat hij had verklaard en later heeft ondertekend en dat daarbij de verklaring vooraf aan hem is voorgelezen. Het zal ook betrokkene duidelijk zijn geweest om wie het hier ging, namelijk om B en haar hoofdverblijf.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Anw, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

Op grond van het derde lid is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

4.2.

Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van appellant verklaard dat een gezamenlijke huishouding niet vanaf december 2008 kan worden aangenomen, omdat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat sprake is geweest van wederzijdse zorg tussen betrokkene en B, maar wel vanaf maart 2010. De vertegenwoordiger heeft er in dat verband op gewezen dat uit de relatie van betrokkene en B op 4 maart 2010 S is geboren en dat, gegeven het gezamenlijk hoofdverblijf van betrokkene en S in de woning van betrokkene, vanaf die datum het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw van toepassing was. De intrekking van de Anw-uitkering van betrokkene wordt daarom beperkt tot de periode van 1 april 2010 tot 1 april 2012.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat uit de relatie van betrokkene en B het kind S is geboren en dat om die reden het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw hier van toepassing is, rust daarom op appellant. In aanmerking genomen de consequentie van de toepasselijkheid van dit onweerlegbaar rechtsvermoeden, te weten dat uitsluitend het hoofdverblijf behoeft te worden beoordeeld, dient appellant in het kader van deze bewijslast aan te tonen dat betrokkene de biologische vader van S is. Vergelijk de uitspraken van 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4627, en 15 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8472.

4.4.1.

Appellant stelt zich op het standpunt dat, gelet op de verklaring die betrokkene tijdens het huisbezoek op 6 oktober 2011 heeft afgelegd, in het bijzonder zijn verklaring dat hij en B samen een kind hebben, te weten S, het bewijs is geleverd dat betrokkene de biologische vader van S is.

4.4.2.

De verklaring waar appellant op doelt, betreft de op het onderzoekformulier handgeschreven tekst: “ [naam 5] en mw. [naam 1] hebben samen een kind [naam kind] (4-3-2010)”. Vaststaat dat een vertaling van deze tekst op het onderzoekformulier ontbreekt, zodat de stelling van appellant dat de schriftelijke verklaring van betrokkene zowel in het Nederlands als in de eigen taal van betrokkene is opgesteld in zoverre feitelijke grondslag mist. Voorts staat vast dat wat handgeschreven is genoteerd niet een antwoord is op een voorgedrukte vraag op het onderzoekformulier. Weliswaar heeft MK ter zitting van de rechtbank verklaard dat de Nederlandse tekst die niet in het Bosnisch is vermeld in de eigen taal van betrokkene is uitgelegd en dat betrokkene dit ook heeft begrepen, maar MK heeft daaraan toegevoegd, waarbij voor eiser betrokkene moet worden gelezen: “Ik weet niet meer of eiser daarna of daarvoor het formulier heeft getekend”. Of betrokkene met het zetten van zijn handtekening onder het onderzoekformulier, waarmee hij verklaart dat alle vragen - op dat formulier - naar waarheid zijn beantwoord, ook heeft getekend voor de hiervoor weergegeven handgeschreven tekst, kan dan ook niet worden vastgesteld.

4.4.3.

Verder is, bij gebreke van een gespreksverslag, niet duidelijk wat betrokkene tijdens het huisbezoek precies heeft verklaard over S. Ter zitting van de rechtbank heeft AK hierover verklaard dat betrokkene heeft gemeld dat B zijn partner is en dat zij samen een kind hebben. MK heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat B gevraagd is of het kind van haar is, dat B deze vraag bevestigend heeft beantwoord en dat betrokkene op die vraag antwoordde dat je dat als man nooit weet. Deze verklaringen wijken van elkaar af, waarbij het bevreemdt dat B gevraagd zou zijn of het kind S van haar is. B zou immers tijdens het huisbezoek niet zijn gehoord. In dit verband kan er niet aan voorbij worden gezien dat AK en MK hun verklaringen ter zitting van de rechtbank anderhalf jaar na het bewuste huisbezoek op

6 oktober 2011 hebben afgelegd en dat AK, zoals hij heeft verklaard, in 2011 150 adressen in Bosnië-Herzegovina heeft bezocht.

4.4.4.

Gelet op 4.4.2 en 4.4.3 bestaan onvoldoende waarborgen om te kunnen concluderen dat betrokkene, met het zetten van zijn handtekening onder het onderzoekformulier, precies wist waarvoor hij tekende en bestaat voorts onduidelijkheid over wat betrokkene tijdens het huisbezoek op 6 oktober 2011 precies heeft verklaard. Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat betrokkene ontkent samen met B een kind te hebben, vormt de in 4.1.1 vermelde handgeschreven tekst geen bewijs dat betrokkene de biologische vader van S is. Dit betekent, bij gebreke van ander bewijs, dat appellant niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat betrokkene de biologische vader van S is.

4.5.

Uit 4.4.1 tot en met 4.4.4 vloeit voort dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw niet van toepassing is. Gelet hierop en gezien het feit dat er geen feitelijke grondslag is voor het bestaan van wederzijdse zorg tussen betrokkene en S, is ook in de periode van 1 april 2010 tot 1 april 2012 geen sprake geweest van een gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en B. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand en op € 117,- aan reiskosten, in totaal dus € 1.097,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.097,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 478,-.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2015.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) M.S. Boomhouwer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD