Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
14/4855 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen dringende redenen om af te zien van verplichte terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/4855 WWB

Datum uitspraak: 10 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

21 juli 2014, 14/392 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] op [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Veenis, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verspui.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 4 januari 2011 bijstand naar de norm voor gehuwden, ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 11 april 2013 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2013 opgeschort. Bij besluit van 4 juli 2013 heeft het college vervolgens de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2012 ingetrokken op de grond dat appellant meer uren heeft gewerkt dan hij heeft doorgegeven aan het college, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Tegen deze besluiten heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 30 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de over de periode van 1 december 2012 tot en met

28 februari 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.833,96 van appellant teruggevorderd. Daarbij heeft het college geconcludeerd dat er geen dringende redenen zijn om af te zien van de terugvordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellant is sinds 4 december 2013 onder bewind gesteld en beroept zich op zijn moeilijke financiële situatie. De schulden lopen op maar appellant kan als gevolg van de terugvordering niet worden toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Verder heeft deze situatie een grote wissel getrokken op zijn privéleven nu ook zijn echtgenote naar het buitenland is vertrokken en de gezondheidssituatie van appellant is verslechterd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college dient af te zien van terugvordering.

4.2.

Van dringende redenen is volgens de vaste rechtspraak (uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) slechts sprake als deze zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

4.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in wat appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen als hiervoor bedoeld. Nog daargelaten dat appellant zijn stelling niet heeft onderbouwd, betekent de omstandigheid dat de terugvordering mogelijkerwijs nadelige gevolgen heeft voor de toelating tot een schuldsaneringstraject, niet dat sprake is van onaanvaardbare consequenties. Daarbij is van belang dat appellant bij de invordering de bescherming geniet, of deze zo nodig kan inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat de gezondheidssituatie van appellant is verslechterd dan wel zal verslechteren als gevolg van de terugvordering heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.

4.4.

Uit wat 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2015.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C. Moustaïne

HD