Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
14/5347 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante wordt in staat geacht om maximaal 30 uur per week loonvormende arbeid te verrichten. Appellante is geen ontheffing verleend van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. De besluitvorming is gemaakt op basis van deskundig advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5347 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

25 augustus 2014, 14/387 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Schagen (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de opheffing per 1 januari 2015 van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Kop van Noord-Holland (ISD-KNH) oefent het college de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het dagelijks bestuur van de ISD-KNH (dagelijks bestuur) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het college tevens verstaan het dagelijks bestuur.

Namens appellante heeft mr. drs. R.J.A. Verhoeven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoeven. Het college heeft zich, zonder bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 april 2002 bijstand, ten tijde hier van belang ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 8 augustus 2013 heeft het college, op grond van een medische keuring door een Arbo-arts [naam] van 30 juli 2013, appellante in staat geacht om maximaal 30 uur per week loonvormende arbeid te verrichten. Appellante is geen ontheffing verleend van de arbeids- en re-integratieverplichtingen.

1.3.

In bezwaar tegen het in 1.2 vermelde besluit heeft appellante aangevoerd dat zij naast psychische klachten ook andere klachten heeft die niet ter sprake zijn gekomen tijdens de medische keuring [naam] . Appellante heeft gesteld last te hebben van “dode stukken” in haar knieën, voeten en handen als gevolg van een neurologische afwijking met de naam polyneuropathie. Gelet hierop achtte het college een nader onderzoek en een “second opinion” noodzakelijk en heeft daarvoor drs. H.D. Engelen, keuringsarts van KNMG, benaderd. Het college heeft de keuringsarts in kennis gesteld van de gestelde polyneuropathie en opdracht gegeven appellante opnieuw te keuren en het volgende te bepalen:

“ - de mate en duur van arbeids(on)geschiktheid;

- welke mogelijkheden zijn er met betrekking tot arbeid in loondienst;

- is er een urenbeperking met betrekking tot belastbaarheid lichamelijke

en/of psychische beperkingen;

- is er een urenbeperking met betrekking tot arbeid in loondienst,

werkervaringsplaats, vrijwilligerswerk of dagactiviteiten.”

1.4.

De keuringsarts van KNMG heeft op 27 december 2013 advies uitgebracht. Uit het rapport blijkt dat appellante op 20 november 2013 is gezien tijdens een spreekuurcontact van

70 minuten. De keuringsarts heeft geen lichamelijk onderzoek gedaan, omdat de vastgestelde stoornissen en beperkingen hiertoe geen aanleiding gaven. Wel heeft een oriënterend psychisch onderzoek plaatsgevonden en heeft de keuringsarts schriftelijk informatie opgevraagd bij de huisarts en de psycholoog van appellante. Over de medische situatie van appellante heeft de keuringsarts gerapporteerd dat sprake is van depressieve klachten zoals zich somber voelen, labiel, een verminderde energie, stemmingswisselingen en chronische vermoeidheid, voorts van bijwerkingen van medicijngebruik waaronder gevoelsstoornissen, verder van chronische hoofd- en nekklachten waarvan de oorzaak niet is gevonden en van een chronische schimmelinfectie en overgangsklachten. De keuringsarts heeft vastgesteld dat appellante, medisch gezien, in staat is om loonvormende arbeid te kunnen verrichten mits met haar beperkingen, vooral op psychisch vlak, rekening wordt gehouden. Zij is aangewezen op een werksituatie met een beperkt aantal collega’s, werkzaamheden zonder veel productiepieken en onderbrekingen en sterk wisselende omstandigheden en geen conflictueuze werksfeer. In verband met preventie heeft de keuringsarts vooralsnog een beperking van 26 uur per week geadviseerd.

1.5.

Bij besluit van 13 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2013 op grond van het in 1.4 weergegeven advies deels gegrond verklaard en de omvang van de arbeidsverplichtingen van appellante gewijzigd van 30 uur per week naar 26 uur per week.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante blijft van mening dat haar medische beperkingen haar beletten betaalde arbeid van enige omvang te verrichten en zij heeft aangevoerd dat het standpunt van het college niet op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. Uit het keuringsrapport van 27 december 2013 blijkt in het geheel niet dat de gestelde polyneuropathie is meegenomen in de bevindingen van de keuringsarts. Het onderzoek heeft niet voldoende zorgvuldig plaatsgevonden. Appellante verzoekt de Raad een deskundige te benoemen die onderzoekt of, en zo ja, in welke mate de door appellante gestelde polyneuropathie haar belastbaarheid beperkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het hier van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Een bestuursorgaan dat met besluitvorming is belast, dient te zorgen voor een zorgvuldig onderzoek naar de feiten en omstandigheden die voor het te nemen besluit de grondslag vormen. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1015) volgt dat indien voor het vaststellen van de feiten mede gebruik moet worden gemaakt van de deskundigheid waarover het bestuursorgaan zelf niet beschikt, het bestuursorgaan een ter zake deskundige kan inschakelen om zich van advies te laten dienen. Het ligt dan op de weg van het bestuursorgaan om zich ervan te vergewissen dat dit advies voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een deugdelijke advisering slechts sprake zijn indien uit het advies ten minste blijkt op basis van welke gegevens het advies tot stand is gekomen en welke procedure bij het tot stand brengen van dit advies is gevolgd.

4.2.

Het advies van KNMG van 27 december 2013, waarop de besluitvorming is gebaseerd, voldoet aan de hiervoor geformuleerde eisen van zorgvuldigheid. Van betekenis is in dit verband dat het advies is gebaseerd op eigen onderzoek, dat de keuringsarts de klachten van appellante in kaart heeft gebracht, dat hij informatie van de behandelende sector heeft betrokken bij de beoordeling en dat hij heeft voldaan aan de in 1.3 geformuleerde opdracht. De keuringsarts heeft in het rapport onderkend dat sprake is van gevoelsstoornissen en heeft gemotiveerd vermeld dat de stoornissen geen aanleiding gaven voor een lichamelijk onderzoek. Dit heeft hij bevestigd in het in hoger beroep ingebrachte rapport van 9 januari 2015. De keuringsarts heeft daarin aanvullend verklaard dat de gevoelsstoornissen, waarvan appellante op 20 november 2013 heeft gezegd die te ervaren, niet van dien aard waren om in de Functionele Mogelijkheden Lijst hiermee rekening te houden. Daarbij komt dat blijkens de gedingstukken de huisarts van appellante niet de diagnose van polyneuropathie heeft gesteld. Het betoog van appellante dat de polyneuropathie ten onrechte in het geheel niet is meegenomen door de keuringsarts faalt daarom.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het college zijn besluitvorming heeft mogen baseren op het advies van KNMG van 27 december 2013. Nu niet gebleken is dat het onderzoek door de keuringsarts onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals door appellante is verzocht.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.L. Meijer

HD