Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3921

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
15/673 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaartermijn. Van een niet-aangetekend verzonden besluit, waarvan de ontvangst wordt ontkend, ligt de bewijslast (ontvangst aannemelijk maken) bij het bestuursorgaan, vaste rechtspraak. Appellant verbleef in de daklozenopvang en had sinds 1 april 2014 een briefadres op het kantoor van het Werkplein. Zijn post werd in een voor hem bestemd postbakje gedeponeerd en appellant mocht eens per week op maandag zijn post komen ophalen, dat werd bijgehouden op een registratiekaart. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit van 8 april 2014 daadwerkelijk op die datum is bekendgemaakt. Uit de handelingen van appellant kan niet worden afgeleid dat hij het besluit met de door hem op 8 april 2014 opgehaalde post moet hebben ontvangen. Nu niet kan worden vastgesteld wanneer het besluit van 8 april 2014 is bekendgemaakt, is het bezwaar tegen dit besluit tijdig ingediend. Opdracht aan het college om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 8 april 2014 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/673 WWB

Datum uitspraak: 10 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

16 december 2014, 14/3307 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Martin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.E. van der Tuuk en

L.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 26 maart 2014 gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Op 1 april 2014 heeft appellant de aanvraag ingediend, met als gewenste ingangsdatum 27 november 2013.

1.2.

Bij besluit van 8 april 2014 heeft het college aan appellant met ingang van 26 maart 2014 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft bij brief van 21 mei 2014 bezwaar gemaakt tegen dit besluit, voor zover het de ingangsdatum van de bijstand betreft. Bij besluit van 9 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant de termijn voor het maken van bezwaar heeft overschreden en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

4.2.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 21 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:112) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel door de geadresseerde is ontvangen. Deze rechtspraak heeft ook te gelden in een situatie als de onderhavige waarin appellant stelt dat hij het besluit van

8 april 2014 later heeft ontvangen, wat erop neerkomt dat niet van de verzenddatum mag worden uitgegaan.

4.3.

Appellant verbleef in de daklozenopvang en had sinds 1 april 2014 een briefadres op het kantoor van het Werkplein. Zijn post werd in een voor hem bestemd postbakje gedeponeerd en appellant mocht eens per week op maandag zijn post komen ophalen. Op een registratiekaart werd bijgehouden wanneer appellant zijn post ophaalde. Blijkens deze registratiekaart heeft appellant zijn post - in de hier van belang zijnde periode - opgehaald op

8 april 2014, 22 april 2014, 6 mei 2014, 12 mei 2014 en 19 mei 2014. Appellant heeft gesteld dat hij het besluit van 8 april 2014 weliswaar heeft ontvangen, maar heeft betwist dit besluit met de door hem op 8 april 2014 opgehaalde post te hebben ontvangen. Appellant stelt zich op het standpunt dat het college niet heeft aangetoond dat het besluit van 8 april 2014 op de juiste wijze bekend is gemaakt en dat om die reden de bezwaartermijn niet op 9 april 2014 is aangevangen.

4.4.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft het college met de verklaring van de casemanager van appellant van 18 november 2014 inhoudende dat zij het besluit in de vroege ochtend van 8 april 2014 in het postvakje van appellant heeft gedeponeerd, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit van 8 april 2014 daadwerkelijk op die datum is bekendgemaakt. Daarbij is van belang dat de verklaring weinig gedetailleerd is en ruim zeven maanden na de gestelde deponering in het postbakje is opgesteld. Voorts is de verklaring niet neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport. De verklaring biedt hierdoor niet zodanige waarborgen voor een betrouwbare vastlegging van de verzenddatum dat ervan kan worden uitgegaan dat het besluit op 8 april 2014 daadwerkelijk in het postbakje van appellant is gelegd. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 18 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2797.

4.5.

Het betoog van het college dat uit de handelingen van appellant kan worden afgeleid dat hij het besluit met de door hem op 8 april 2014 opgehaalde post moet hebben ontvangen, slaagt niet. Dit kan niet worden afgeleid uit het telefonisch contact dat appellant later in de week van 8 april 2014 met zijn casemanager heeft gehad. Appellant informeerde immers telefonisch naar het moment waarop hij geld zou ontvangen en vroeg of hij nogmaals een voorschot kon krijgen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat appellant ervan op de hoogte was dat het college zijn aanvraag om bijstand had toegewezen. Dat appellant na 8 april 2014 heeft gehandeld overeenkomstig de in dat besluit opgelegde verplichtingen maakt evenmin dat daarmee de datum van bekendmaking van het besluit aannemelijk is gemaakt. Uit de gedingstukken blijkt immers dat deze verplichtingen reeds eerder, namelijk tijdens de intake op 1 april 2014, aan appellant kenbaar zijn gemaakt. Appellant heeft daaraan ook reeds voor het besluit gevolg aan gegeven door op 7 april 2014 een overzicht van zijn verblijfplaatsen te verstrekken en na de intake wekelijks zijn post op te halen.

4.6.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat niet kan worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar een dag na 8 april 2014 is aangevangen. Nu niet kan worden vastgesteld wanneer het besluit van 8 april 2014 is bekendgemaakt, is het bezwaar tegen dit besluit tijdig ingediend. Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 april 2014 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar om het geschil definitief te beslechten. Het college krijgt dan ook de opdracht om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 8 april 2014 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 490,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 juli 2014;

- draagt het college op binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak een nieuw

besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.470,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2015.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C. Moustaïne

HD