Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
14-2403 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Noodzakelijk medisch onderzoek voor de beoordeling WIA-aanvraag van appellante die inmiddels op Aruba woont. Artikel 46a van de Wet WIA en artikel 7 van het Convenant. Uit het stelsel van artikel 7 van het Convenant vloeit voort dat het medisch onderzoek primair plaatsvindt waar de uitkeringsgerechtigde woont of verblijft. Om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op te roepen voor een medisch onderzoek in Nederland, dient het Uwv, met in achtneming van de artikelen 3:2, 3:4 en 3:4 van de Awb, deugdelijk te motiveren waarom dat nodig is. Een deugdelijke en inzichtelijke afweging van belangen ontbreekt. Opdracht aan het Uwv om dat gebrek te herstellen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 46a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/2123
USZ 2016/1 met annotatie van M. Sarac
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2403 WIA-T

Datum uitspraak: 26 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 maart 2014, 13/5501 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te Aruba (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadour.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 18 september 2010 uitgevallen voor haar werk van ziekenverzorgende wegens griep, rug- en psychische klachten. Op 21 juni 2012 heeft zij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Op 27 juli 2012 heeft appellante aan het Uwv gemeld dat zij is verhuisd naar Aruba.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft het Uwv appellante bij brief van

12 november 2012, vergezeld van een antwoordformulier, bericht dat medisch onderzoek in Nederland moet plaatsvinden en informatie gegeven omtrent de vraag welke kosten het Uwv voor haar rekening neemt. Bij mail van 23 december 2012 heeft appellante het antwoordformulier ingevuld teruggezonden en gemeld dat zij naar Nederland zal komen. Bij brief van 28 maart 2013 heeft het Uwv appellante uitgenodigd naar Nederland te komen voor het ondergaan van een medisch onderzoek door het Uwv op 27 en 28 mei 2013. Bij e-mails van 30 maart 2013 en 2 april 2013 heeft appellante het Uwv meegedeeld dat zij niet langer ziek is, zij per 1 maart 2013 een nieuwe baan op Aruba heeft en zij van haar nieuwe werkgever geen verlof kan krijgen om naar Nederland te komen.

1.3.

Bij besluit van 3 april 2013 heeft het Uwv beslist de aanvraag van appellante niet verder in behandeling te nemen. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante niet heeft voldaan aan haar verplichting mee te werken aan een medisch onderzoek door een verzekeringsarts van het Uwv.

1.4.

Het Uwv heeft bij besluit van 20 augustus 2013 (bestreden besluit) - met vermelding van onder andere artikel 46a van de Wet WIA als wettelijke grondslag - het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 april 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in Nederland - en niet op Aruba - plaats diende te vinden. Op basis hiervan heeft het Uwv in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid het medisch onderzoek in Nederland te laten plaatsvinden. Het standpunt van appellante dat zij in verband met haar nieuwe baan op Aruba geen vakantiedagen kon opnemen, maakt het besluit van het Uwv niet onredelijk bezwarend. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de stukken naar voren komt dat appellante 15 vakantiedagen per jaar heeft, zodat niet is gebleken dat zij onder gebruikmaking van deze dagen niet naar Nederland kon komen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv de aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Wet WIA terecht buiten aanmerking heeft gelaten.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat het Uwv niet in redelijkheid van haar had mogen verlangen dat zij het medisch onderzoek in Nederland zou ondergaan. Een dergelijk onderzoek kan ook op Aruba plaatsvinden. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het Convenant tussen Nederland en Aruba inzake de export en handhaving van sociale verzekeringsuitkeringen, Stcrt. 2001, 83, (Convenant) blijkt dat eerst onderzoek door de plaatselijke instanties moet worden verricht. Pas daarna is er de mogelijkheid een van een medisch onderzoek in Nederland. Appellante heeft betoogd dat het Uwv ten onrechte deze stappen niet heeft gevolgd. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij per 1 maart 2013 een nieuwe baan heeft en het van algemene bekendheid is dat je dan niet meteen vakantiedagen kunt opnemen. Bovendien stelt zij onvoldoende vakantiedagen te hebben opgebouwd om te gebruiken voor de reis naar Nederland. Omdat zij zowel door een verzekeringsarts als door een psychiater zou worden onderzocht, zou het medisch onderzoek meer tijd vergen dan het totaal van haar (in mei 2013) opgebouwde vakantiedagen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 46a van de Wet WIA is bepaald dat indien voor het vaststellen van het recht op uitkering op grond van deze wet, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van een uitkering op grond van deze wet, naar het oordeel van het Uwv medisch onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op een uitkering op grond van deze wet buiten beschouwing blijven, voor zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Artikel 7 van het Convenant luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Op verzoek van het bevoegde orgaan van een Convenantsluitende Partij zal het medisch onderzoek van een uitkeringsgerechtigde of zijn gezinslid die woont of verblijft op het grondgebied van de andere Convenantsluitende Partij verricht worden door het bevoegde orgaan van laatstgenoemde Convenantsluitende Partij.

2. Voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een uitkeringsgerechtigde of zijn gezinslid gebruikt het bevoegde orgaan van een Convenantsluitende Partij de medische rapporten en administratieve gegevens die door het bevoegde orgaan van de andere Convenantsluitende Partij zijn verstrekt. Niettemin behoudt het bevoegde orgaan van eerstgenoemde Convenantsluitende Partij het recht een uitkeringsgerechtigde of zijn gezinslid op te roepen teneinde een medisch onderzoek door een arts van zijn keuze of op zijn grondgebied te ondergaan.”

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat een medisch onderzoek noodzakelijk was voor de beoordeling van de aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Wet WIA. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of het Uwv in redelijkheid van appellante heeft kunnen verlangen dat zij naar Nederland zou komen voor het ondergaan van een medisch onderzoek.

4.4.

Uit het stelsel van artikel 7 van het Convenant vloeit voort dat het Uwv primair het medisch onderzoek dient te laten verrichten op het grondgebied van de Convenantsluitende Partij waar de uitkeringsgerechtigde woont of verblijft. Weliswaar behoudt het Uwv het recht een uitkeringsgerechtigde op te roepen voor het ondergaan van een medisch onderzoek in Nederland, maar van deze bevoegdheid dient gebruik te worden gemaakt in overeenstemming met, voor zover hier van belang, de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent voor het onderhavige geval dat indien het Uwv gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om appellante op te roepen voor het ondergaan van een medisch onderzoek in Nederland, het deugdelijk dient te motiveren waarom dit onderzoek niet (eerst) op het grondgebied van Aruba kan plaatsvinden.

4.5.

Het Uwv heeft aangevoerd dat het in de situatie van appellante gaat om een eerste verzekeringsgeneeskundig onderzoek op grond van de Wet WIA, terwijl weinig concrete medische gegevens met betrekking tot appellante beschikbaar zijn Omdat appellante aan het Uwv heeft gemeld dat zij met ingang van 1 maart 2013 niet langer arbeidsongeschikt is, heeft dit onderzoek betrekking op een korte en afgesloten periode in het verleden. Een dergelijke retrospectieve beoordeling is gecompliceerd en vereist meer zorgvuldigheid, waardoor een onderzoek in Nederland noodzakelijk is. Het Uwv heeft voorts aangevoerd dat appellante tevens moest worden onderzocht door een psychiater en in die situatie wordt in beginsel steeds een in Nederland gevestigde psychiater ingeschakeld. In Nederland zou zodoende in één keer - door een verzekeringsarts en een psychiater - zorgvuldig medisch onderzoek kunnen worden verricht. Appellante heeft betoogd dat zij, met het oog op haar nieuwe baan, het aantal (in mei 2013) opgebouwde vakantiedagen en de duur van de reis naar Nederland, een zwaarwegende belang heeft om een medisch onderzoek te ondergaan op Aruba.

4.6.

Het Uwv heeft niet voldoende gemotiveerd waarom - overeenkomstig het stelsel van het Convenant - niet eerst een medisch onderzoek op Aruba had kunnen plaatsvinden (waarna altijd nog de mogelijkheid van het doen van een oproep voor onderzoek in Nederland zou blijven bestaan). Een door het Uwv aangewezen arts op Aruba kan eveneens een onderzoek verrichten naar de arbeidsbeperkingen van appellante, ook al zouden die zich hebben voorgedaan in een korte en afgesloten periode in het verleden. Niet valt in te zien waarom het retrospectieve karakter van het onderzoek meebrengt dat onderzoek slechts in Nederland kan plaatsvinden. Bovendien heeft het Uwv ter zitting toegelicht dat een verzekeringsarts in dienst van de Sociale Verzekeringsbank gestationeerd is op Aruba, dat die arts periodiek door het Uwv in Nederland wordt bijgeschoold over voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van belang zijnde ontwikkelingen en dat die arts in gevallen als deze door het Uwv kan worden ingezet. Voorts had het Uwv een op Aruba gevestigde psychiater kunnen verzoeken appellante psychisch te onderzoeken. Dat het Uwv in één keer een medisch onderzoek heeft willen verrichten en appellante daarom heeft opgeroepen voor een onderzoek in Nederland is op zich een te respecteren belang van het Uwv. Dit argument van het Uwv vormt echter, gezien de door appellante gestelde belangen om niet in Nederland maar op Aruba te worden onderzocht, op zichzelf een onvoldoende onderbouwing van de noodzaak het onderzoek in Nederland te doen plaatsvinden. Bovendien ontbreekt een deugdelijke en inzichtelijke afweging van dit belang ten opzichte van de belangen van appellante, die in Nederland in financiële problemen was gekomen, uiteindelijk na een periode van werkloosheid, in Aruba per 1 maart 2013 een dienstverband is aangegaan waaruit zij reeds in mei 2013 vakantiedagen zou moeten opnemen ten behoeve van onderzoek in Nederland.

4.7.

Gezien hetgeen in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vormen de gronden waarop het Uwv de aanvraag van appellante niet in behandeling heeft genomen afzonderlijk noch in onderlinge samenhang een deugdelijke motivering van het bestreden besluit, zodat dit besluit niet is genomen in overeenstemming met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Awb.

5. Het Uwv zal worden opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen is overwogen in 4.6.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat het Uwv binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit herstelt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) M.S.E.S. Umans

AP