Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3911

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
11-6454 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het besluit van 21 maart 2014 is het Uwv volledig tegemoet gekomen aan wat appellant met het hoger beroep kon bereiken. Het oorspronkelijk bestreden besluit is van 25 november 2010. De vergoeding van wettelijke rente wordt toegekend en moet conform vaste rechtspraak worden berekend. Toekenning proceskosten en schadevergoeding i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn. Verdeling tussen bestuursorgaan en de Staat op grond van behandelduur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6454 WIA

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2011, 10/6028 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 19 februari 2014 een tweede tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2014:590), waarbij het Uwv is opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Het Uwv heeft op 21 maart 2014 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft hierop bij brieven van 24 april 2014, 7 en 8 mei 2014 en 3 juli 2014 gereageerd.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening buiten zitting. Hierna is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 18 januari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

12 november 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat na onderzoek van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige was gebleken dat hij bij aanvang van zijn dienstverband op 1 december 2006 al volledig arbeidsongeschikt was.

1.2.

Bij besluit van 25 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 januari 2010, op basis van door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitgebrachte rapporten, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Hangende het door appellante ingestelde hoger beroep heeft het Uwv ter uitvoering van de tweede tussenuitspraak van de Raad van 19 februari 2014 bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 maart 2014 meegedeeld nader van oordeel te zijn dat appellant met ingang van 12 november 2009 recht heeft op een IVA-uitkering.

3.2.

Appellant heeft in verband met het gewijzigde besluit van 21 maart 2014 verzocht om vergoeding van de wettelijke rente en van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Voorts heeft appellant verzocht om een vergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat het Uwv het bestreden besluit niet langer handhaaft en met het gewijzigde standpunt, zoals vervat in het besluit van 21 maart 2014, volledig tegemoet is gekomen aan hetgeen appellant met het hoger beroep kon bereiken. Appellant heeft nog belang bij een beoordeling van dat besluit nu hij heeft verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente. Dit verzoek wordt, voor zover het Uwv deze nog niet betaalbaar heeft gesteld, toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. De Raad stelt vast dat de juistheid van de berekening van de wettelijke rente waarop appellant recht heeft, zoals neergelegd in de brief van het Uwv van

31 maart 2015, niet is weersproken.

4.2.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op

€ 980,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting), € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 1.984,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het beroepschrift, 2 punten voor het bijwonen van de zittingen, 0,5 punt voor de reactie van

29 augustus 2013 op de tenuitvoerlegging van de eerste tussenuitspraak, 0,5 punt voor de reacties van 24 april, 7 en 8 mei en 3 juli 2014 en 9 februari 2015 op het nadere besluit van

21 maart 2014 en 0,5 punt voor het geven van schriftelijke inlichtingen aan de Raad in de vorm van de brief van 13 augustus 2015).

4.3.

Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt eveneens toegewezen.

4.4.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak is verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

4.5.

In het geval van appellant staat vast dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 17 februari 2010 tot de datum van deze uitspraak vijf jaar en ruim zes maanden zijn verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn met een jaar en ruim zes maanden is overschreden. Er is geen aanleiding om in dit geval af te wijken van de onder 4.4 genoemde uitgangspunten. Aan appellant komt dus een schadevergoeding toe. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld een bedrag van € 1.000,- ter compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn redelijk te achten.

4.6.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in de uitspraak van 7 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2978) wordt in een geval waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie). Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

4.7.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 17 februari 2010 tot de datum waarop het bestreden besluit is genomen

(25 november 2010) zijn ruim negen maanden verstreken. De behandeling van het bezwaar heeft dus ruim drie maanden te lang in beslag genomen. Daarbij komt dat de besluitvorming van het Uwv pas bij gewijzigd besluit op bezwaar van 21 maart 2014 in overeenstemming is gebracht met de overwegingen van de Raad, zoals neergelegd in de tussenuitspraken van

5 april 2013 en 19 februari 2014. Er is dus aanleiding de overschrijding van de redelijke termijn grotendeels aan het bestuursorgaan toe te rekenen. Nu de Raad niet binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraken geconstateerde gebreken zijn hersteld einduitspraak doet, dient de overschrijding van de behandelingsduur deels voor rekening van de Staat te komen.

4.8.

Het onder 4.3 tot en met 4.7 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat de door appellant gevorderde immateriële schadevergoeding van € 1.000,- ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv dient te worden vergoed tot een bedrag van € 750,- en door de Staat tot een bedrag van € 250,-. De Raad ziet geen aanleiding om tot een andere verdeling van de schadevergoeding over het Uwv en de Staat te komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 25 november 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente zoals in overweging 4.1 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 3.944,50;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 750,-;

  • -

    veroordeelt de Staat (ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 250,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van R. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) R. Rijnen

UM