Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
13/6981 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand dak- en thuisloze. De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende feitelijk grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6981 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2013, 13/3782 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Namens appellant is verschenen mr. De Heer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.E. Carter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met zijn ex-echtgenote bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Op 31 oktober 2012 heeft appellant het college gemeld dat hij en zijn echtgenote uit elkaar zijn en heeft hij verzocht om bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij op verschillende adressen in [woonplaats] verblijft. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij besluit van 28 november 2011 de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2012 gewijzigd in de norm voor een alleenstaande zonder toeslag.

1.3.

De afdeling Controle van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de feitelijke woon- en verblijfsituatie van appellant. In dat kader heeft op 18 februari 2013 een gesprek plaatsgevonden met appellant en is op 21, 25 en 27 februari 2013 een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 februari 2013.

1.4.

Bij besluit van 7 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 27 februari 2013 ingetrokken. Aan de intrekking heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant tijdens de huisbezoeken op 21, 25 en 27 februari 2013 niet is aangetroffen op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft onjuiste opgave gedaan van zijn woon- en verblijfsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 27 februari 2013 tot en met 7 maart 2013.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ter zitting van de Raad is namens het college toegelicht dat in de periode hier aan de orde ten aanzien van dak- en adreslozen als uitvoeringspraktijk gold dat de DWI (telefonisch) contact opnam met de betrokkene om te informeren waar hij de komende nacht zou gaan verblijven, waarna de volgende dag een locatie- of huisbezoek werd afgelegd om de feitelijke verblijfplaats te controleren.

4.4.

Uit de gedingstukken blijkt het volgende.

4.4.1.

Op 18 februari 2013 heeft op het kantoor van de DWI een gesprek plaatsgevonden met appellant. Appellant heeft tijdens dit gesprek over de periode van 21 januari 2013 tot en met 17 februari 2013 een aantal zogenoemde zevendagenformulieren overgelegd. Hierop heeft hij twee adressen vermeld, te weten het adres [adres 1] te [woonplaats] (adres 1) en het adres [adres 2] te [woonplaats] (adres 2). Voorts heeft appellant tijdens het gesprek verklaard dat hij de afgelopen weken heeft verbleven op adres 1 bij een vriend genaamd [M] en op adres 2 bij zijn ouders. Hij slaapt vier dagen in de week bij [M] en hoofdzakelijk in het weekend bij zijn ouders. Als appellant in de ochtend weggaat is dit tussen 8:00 uur en 10:00 uur. Soms blijft hij de hele dag.

4.4.2.

Op dinsdag 19 februari 2013 heeft een handhavingsspecialist van de DWI telefonisch contact opgenomen met appellant. Appellant heeft meegedeeld dat hij bij [M] gaat slapen. Op donderdag 21 februari 2013 omstreeks 10:00 uur hebben twee handhavingsspecialisten een bezoek gebracht aan adres 1, waar appellant niet is aangetroffen. Op donderdag

25 februari 2013 omstreeks 12:30 uur hebben de handhavingsspecialisten nogmaals een bezoek gebracht aan dit adres en appellant wederom niet aangetroffen. Op woensdag

26 februari 2013 heeft een handhavingsspecialist opnieuw telefonisch contact opgenomen met appellant. Appellant heeft meegedeeld dat hij die nacht bij [M] gaat slapen. Op donderdag 27 februari 2013 omstreeks 08:40 uur hebben de handhavingsspecialisten een bezoek gebracht aan adres 1. Appellant werd daar opnieuw niet aangetroffen. De wel aanwezige bewoner, [M], heeft verklaard dat appellant daar die nacht niet heeft geslapen en dat appellant één tot twee keer per week bij hem in de woning slaapt.

4.5.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bieden de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet op de door hem opgegeven adressen heeft verbleven. Aan de resultaten van de huisbezoeken op het adres van [M] op 21 en 25 februari 2013 kan geen betekenis worden toegekend nu deze bezoeken niet direct zijn gevolgd op een mededeling van appellant waar hij die nacht zou verblijven. Daarnaast zijn deze huisbezoeken afgelegd op een tijdstip dat appellant, zoals hij vooraf had aangegeven, het adres van [M] mogelijk al had verlaten. De enkele omstandigheid dat appellant op 27 februari 2013 niet is aangetroffen op het adres van [M] is in dit geval op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode niet op de door hem opgegeven adressen heeft verbleven. Hierbij is van belang dat het opgegeven adres van de ouders van appellant niet is bezocht, zodat niet is uit te sluiten dat appellant tijdens de huisbezoeken op 21, 25 en 27 februari 2013 bij zijn ouders verbleef. Door het onderzoek te beperken tot een van de twee opgegeven adressen heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar de feitelijke woon- en verblijfsituatie van appellant.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het college was dan ook niet bevoegd om de bijstand in te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Mede gelet op het verhandelde ter zitting en het tijdsverloop moet worden aangenomen dat het aan het bestreden besluit klevende gebrek niet meer valt te herstellen. Daarom zal de Raad, zelf voorziend, tevens het besluit van 7 maart 2013 herroepen.

5. Voorts bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 juni 2013;

- herroept het besluit van 7 maart 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het vernietigde besluit;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.954,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD