Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
15/1983 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het door het Uwv ter zitting verwoorde standpunt dat de brief van 9 juni 2015 geen nieuwe informatie behelst wordt niet onderschreven. De revalidatiearts is gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat er geen aangrijpingspunten zijn voor verbetering in de fysieke en mentale conditie van appellant. Daarbij is vermeld dat er geen aangrijpingspunten zijn voor verdere behandeling. De duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van appellant op 30 november 2013 is gezien het voorgaande dan ook voldoende aannemelijk geworden. Het Uwv wordt opgedragen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1983 WIA-T

Datum uitspraak: 4 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

6 februari 2015, 14/1592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 juli 2015 heeft appellant nadere medische informatie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/1040 WIA plaatsgevonden op

12 augustus 2015, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker. Op 2 april 2010 is hem een bedrijfsongeval overkomen. Op 15 december 2011 heeft appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 16 april 2012 appellant met ingang van 30 maart 2012 op grond van de Wet WIA een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Dit is gebaseerd op het standpunt dat appellant niet geschikt is voor de maatgevende arbeid en dat er geen functies geselecteerd kunnen worden waarvoor appellant in medisch opzicht geschikt is. Bij besluit van 20 juni 2013 heeft het Uwv, na advies door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 april 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij haar uitspraak van 8 januari 2014 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bevestigd bij zijn uitspraak van in de zaak 14/1040 WIA.

1.2.

Bij besluit van 16 september 2013 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant met ingang van 30 november 2013 voortgezet als een loonaanvullingsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na een advies van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ongegrond verklaard bij besluit van 28 mei 2014 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de rechtbank in haar uitspraak van 8 januari 2014 tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van appellant op 30 maart 2012. De rechtbank ziet geen aanleiding om vanwege het enkele tijdsverloop aan te nemen dat op 30 november 2013 wel sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Door appellant is geen nieuwe medische informatie ingebracht die doet twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3.1.

Appellant is het niet eens met deze uitspraak. Hij is van mening dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat gelet op het tijdsverloop na het ongeval op 2 april 2010 geen verbetering van de situatie meer verwacht kan worden. Daartoe wijst appellant op de bij brief van 24 juli 2015 overgelegde medische informatie van onder meer A.G. Oudenaarden, revalidatiearts, die op 9 juni 2015 heeft geschreven dat er sprake is van een stabiele situatie. Qua niveau van functioneren is er volgens deze arts nauwelijks sprake van verandering ten opzichte van anderhalf jaar geleden. Tot slot ziet hij geen verdere aangrijpingspunten voor behandeling om de fysieke en mentale conditie van appellant verder te verbeteren. Ook wijst appellant op de brief van 23 juli 2015 van C.J. Blanksma, arts bij Mediant, waarin onder meer is vermeld dat algemeen aanvaard is dat er bij hersenschade tot twee jaar na het ongeval herstel mogelijk wordt geacht.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding zijn partijen verdeeld over de vraag of appellant op 30 november 2013 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat appellant met ingang van die datum recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een

WGA-uitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896).

4.4.

In dit geval heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met name acht geslagen op de medische informatie die ten grondslag heeft gelegen aan de beoordeling van de medische situatie van appellant op 30 maart 2012, in het bijzonder het rapport van psychiater Tendolkar van 2 mei 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt op basis van dit rapport tot de conclusie dat uit de beschikbare informatie van het Roessingh niet blijkt dat er voldoende aan de herstelbelemmerende factoren is gedaan. Volgens deze verzekeringsarts kan, ondanks de verstreken termijn, nog steeds niet gesteld worden dat verbetering van de belastbaarheid medisch niet mogelijk is. De beperkingen als gevolg van de fysieke klachten zonder verklarend somatisch model kunnen afnemen evenals de klachten die passen bij een cogniforme stoornis.

4.5.

In het licht van de in hoger beroep ingebrachte brief van 9 juni 2015 van revalidatiearts Oudenaarden, is de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven motivering echter onvoldoende voor het standpunt dat op 30 november 2013 nog steeds een verdere verbetering in de belastbaarheid van appellant te verwachten valt. Daarbij komt dat het standpunt van de verzekeringsarts dat geen sprake is van een verklarend somatisch model in zoverre kan worden gerelativeerd dat in het rapport van Tendolkar is vermeld dat er aanwijzingen zijn voor een postcontusionele stoornis waarbij onvoldoende herstel heeft plaatsgevonden. De ernst van het niet aangeboren hersenletsel is niet exact meer te achterhalen maar wordt ingeschat als licht tot matig.

4.6.

In zijn brief van 9 juni 2015 geeft revalidatiearts Oudenaarden van het Roessingh te kennen dat er sprake is van een stabiele situatie. Qua niveau van functioneren is er volgens hem nauwelijks sprake van verandering ten opzichte van anderhalf jaar geleden. Hij herkent de in het rapport van Tendolkar gesignaleerde potentiële herstelbelemmerende klachtenonderhoudende factoren en ook de uitspraak dat er in principe geen medische reden is om functionele verbetering op voorhand uit te sluiten. De revalidatiearts wijst er in zijn brief op dat de in dit rapport genoemde onderhoudende factoren (het lage activiteitenniveau c.q. een patroon van overbelasten-onderbelasten, een verstoord dag- en nachtritme en mogelijke attributies ten aanzien van de klachten en onduidelijkheid hierover), juist de thema’s zijn geweest welke binnen het gevolgde revalidatiedagbehandelingsprogramma uitgebreid aandacht hebben gekregen. De winstpunten hebben volgens hem destijds vooral gelegen in een toegenomen inzicht in principes van ergonomie en belasting/belastbaarheid en het op hebben kunnen doen van succeservaring met het toepassen van alternatieve klachtencoping. Nog altijd staan in zekere mate persoonskenmerken van appellant op gespannen voet met het zichzelf gunnen om spelregels van gezond herstelgedrag op zichzelf van toepassing te laten zijn, maar de revalidatiearts ziet niet dat verdere behandeling hierin nog verder verandering zou kunnen brengen. Potentiële herstelbelemmerende klachtenonderhoudende factoren op psychosociaal vlak en in persoonskenmerken gelegen, zijn uitgebreid onderwerp geweest binnen het door appellant gevolgde revalidatiedagbehandeltraject. Tot slot heeft de revalidatiearts opgemerkt dat hij geen verdere aangrijpingspunten ziet voor behandeling om de fysieke en mentale conditie van appellant verder te verbeteren.

4.7.

Het door het Uwv ter zitting verwoorde standpunt dat de brief van 9 juni 2015 geen nieuwe informatie behelst wordt niet onderschreven. Zoals in 4.6 is weergegeven is revalidatiearts Oudenaarden gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat er geen aangrijpingspunten zijn voor verbetering in de fysieke en mentale conditie van appellant. Daarbij is vermeld dat er geen aangrijpingspunten zijn voor verdere behandeling. De duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van appellant op 30 november 2013 is gezien het voorgaande dan ook voldoende aannemelijk geworden.

4.8.

Teneinde te komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht en met inachtneming van de overwegingen in 4.1 tot en met 4.7, het Uwv opdracht te geven om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) K. de Jong

UM