Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
13/5488 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag, aangezien appellant op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij regelmatig in het onderhoud van de kinderen heeft bijgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5488 AKW

Datum uitspraak: 6 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 augustus 2013, 12/1758 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2015. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1951, is vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Hij is op

30 december 1993 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Utrecht.

1.2.

In 1995 heeft appellant kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor zijn negen in Marokko verblijvende kinderen. Bij brief van

12 juli 1995 heeft de Svb appellant verzocht bewijzen van betalingen aan de verzorgster van de kinderen in te sturen. Hierop heeft appellant niet gereageerd. In januari 1996 is appellant Nederland uitgezet wegens het ontbreken van een verblijfstitel.

1.3.

In 1999 heeft appellants echtgenote zich schriftelijk tot de Svb gewend met het verzoek kinderbijslag toe te kennen. In 2000 heeft appellant zich vanuit Duitsland tot de Svb gewend. Dit heeft geleid tot een besluit van 27 juli 2000, waarin de Svb heeft beslist dat de kinderbijslag met een maximale terugwerkende kracht van drie jaar kan worden toegekend en dat appellant vanaf het vierde kwartaal van 1996 geen aanspraak op kinderbijslag kan maken.

1.4.

Op 2 november 2011 heeft appellant zich weer tot de Svb gewend met het verzoek hem alsnog kinderbijslag toe te kennen over de periode van zijn verblijf in Nederland in de jaren negentig. Bij besluit van 14 november 2011 heeft de Svb appellant medegedeeld dat de aanvraagprocedure uit 1995 niet kan worden hervat omdat aanvragen met een maximale terugwerkende kracht van een jaar worden beoordeeld. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 3 april 2012 (besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2011 ongegrond verklaard. De Svb heeft in dat besluit overwogen dat niet meer valt na te gaan of een besluit is genomen naar aanleiding van de aanvraag in 1995. Wel is op 27 juli 2000 een besluit afgegeven. Nu daartegen geen bezwaar is gemaakt, staat rechtens onaantastbaar vast dat geen recht op kinderbijslag bestaat vanaf het vierde kwartaal van 1996 en dat de periode voor dat kwartaal is verjaard. Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd die de Svb aanleiding geven van dat besluit terug te komen.

1.6.

Hangende het beroep tegen besluit 1 heeft de Svb op 23 juli 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven (besluit 2). Onder intrekking van besluit 1 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2011 primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. Overwogen is dat kinderbijslag met een maximale terugwerkende kracht van een jaar kan worden toegekend. In bijzondere gevallen kan die termijn worden verlengd tot vijf jaar. Nu appellant in Nederland werkzaam is geweest van het derde kwartaal van 1994 tot en met het vierde kwartaal van 1995, kan zijn aanvraag slechts op die kwartalen betrekking hebben. De aanvraag kan niet tot toekenning leiden, zodat appellant geen belang heeft bij het bezwaar. Subsidiair is overwogen dat appellants bezwaar geen doel treft.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 tevens gericht geacht tegen besluit 2. Nu appellant geen belang meer had bij zijn beroep tegen besluit 1, is dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Nu appellants aanvraag om kinderbijslag bij het besluit van 14 november 2011 was afgewezen, had appellant belang bij zijn bezwaar tegen dat besluit. Dit bezwaar kon niet

niet-ontvankelijk worden verklaard. De ongegrondverklaring van het bezwaar is in besluit 2 onvoldoende gemotiveerd. De Svb heeft bij dat besluit geweigerd de aanvraagprocedure uit 1995 te hervatten. Appellant had in de gelegenheid moeten worden gesteld de nodige gegevens aan te dragen om zijn aanvraag te onderbouwen. Dit heeft de rechtbank geleid tot gegrondverklaring van het beroep tegen besluit 2 en vernietiging van dat besluit. Nu appellant, door de rechtbank daartoe in de gelegenheid gesteld, geen gegevens over het onderhoud van zijn kinderen in de in geding zijnde kwartalen heeft overgelegd, heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 in stand te laten, dit alles met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3.1.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2. De Raad overweegt daarover het volgende.

3.2.

Appellant kon slechts in aanmerking komen voor kinderbijslag als zijn kinderen tot zijn huishouden behoorden of als hij voldeed aan de onderhoudseis. Ten tijde hier van belang ging de Svb ervan uit dat sprake was van één huishouden als de betrokkene een voortdurende band met zijn gezin onderhield, blijkende uit regelmatige contacten en onderhoudsbijdragen.

3.3.

In 1995 heeft de Svb appellant verzocht stukken over te leggen waaruit van betalingen aan de verzorgster van de kinderen kon blijken. Appellant heeft aan dit verzoek niet voldaan. Hangende het beroep bij de rechtbank is appellant nogmaals in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat hij zijn kinderen heeft onderhouden. Appellant heeft geen gegevens ingezonden, naar zijn zeggen omdat hij daarover niet meer beschikt. Appellants gemachtigde kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat appellant niet valt aan te rekenen dat hij niet meer over deze gegevens beschikt. Uit het eerdere verzoek van de Svb kon hem duidelijk zijn dat het aantonen van onderhoudsbijdragen van belang was voor het recht op kinderbijslag.

3.4.

Nu appellant op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij regelmatig in het onderhoud van de kinderen heeft bijgedragen, is hem terecht kinderbijslag geweigerd. De conclusie moet dan ook zijn dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 juli 2012 in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) N. van Rooijen

AP