Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
14/5876 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstandsuitkering met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB i.v.m. een belastingteruggave.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5876 WWB

Datum uitspraak: 3 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

24 september 2014, 14/484 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] en [Appellante] beiden te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, op verzoek van de Raad, een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.A.H. Gossink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Zij ontvingen vanaf 2008 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag voor een eigen woning. De Belastingdienst heeft bij voorlopige aanslagen over de jaren 2011 en 2012 vastgesteld dat appellanten recht hadden op een teruggave van belasting van € 1.292,- onderscheidenlijk € 1.252,-. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij besluit van 29 augustus 2013 met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van bijstand over het jaar 2011 tot een bedrag van € 1.263,- en over het jaar 2012 tot een bedrag van € 1.249,- van appellanten teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 9 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellanten ontvangen belastingteruggaven in verband met hypotheekrenteaftrek die betrekking hebben op de periode waarover bijzondere bijstand is verleend, moeten worden aangemerkt als een middel. Het college was dan ook bevoegd de bijzondere bijstand voor woonlasten terug te vorderen tot het bedrag van de ontvangen belastingteruggaven. Van dringende redenen die aanleiding vormen om af te zien van terugvordering is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Aan de omstandigheid dat het college niet is overgegaan tot terugvordering van over de jaren 2008 tot en met 2010 verleende bijzondere bijstand konden appellanten niet het vertrouwen ontlenen dat die gedragslijn in de toekomst ongewijzigd zou worden voortgezet. Ten slotte heeft de rechtbank het betoog van appellanten dat de terugvordering in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verworpen.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellanten hebben zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.

4.2.

De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

4.3.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.

4.4.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C. Moustaïne

HD