Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
15/1922 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een Bbz-uitkering toe te kennen. Het advies van het IMK over het niet levensvatbaar zijn van het bedrijf van appellant voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1922 BBZ

Datum uitspraak: 3 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 maart 2015, 14/9122 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van Sark, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Sark. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant exploiteert sinds november 2011 de eenmanszaak “[naam bedrijf]” (bedrijf). Op 7 augustus 2012 heeft appellant een aanvraag ingediend om algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ten behoeve van het bedrijf ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Bij besluit van 5 april 2013 is deze aanvraag afgewezen. Tot mei 2013 ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Appellant heeft op 15 januari 2014 opnieuw een aanvraag ingediend om algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ten behoeve van het bedrijf ingevolge het Bbz. In het door appellant overgelegde ondernemingsplan van januari 2014 staat dat het bedrijf een activiteitenbureau is dat voor opdrachtgevers en in eigen beheer creatieve, expressieve en sportieve activiteiten voor de leeftijdsgroep 4 tot en met 12 jaar organiseert en uitvoert. Tevens verhuurt het bedrijf een themakist, professionele partytenten, tafels en banken en exploiteert het bedrijf als enige aanbieder het grootste springkussen van Europa.

1.3.

Het college heeft de aanvraag aangemerkt als een aanvraag ingevolge het Bbz om Algemene bijstand en bedrijfskrediet ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ten behoeve van het bedrijf.

1.4.

Op verzoek van het college heeft het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) over de aanvraag geadviseerd. In het op 11 april 2014 uitgebrachte advies heeft het IMK geconcludeerd dat het bedrijf niet levensvatbaar is. Het IMK baseert deze conclusie op het volgende. De oorzaak van de financiële problemen van appellant is de bijna volledige afwezigheid van omzet in de opstartjaren van het bedrijf en de noodzaak om het bedrijf nieuwe impulsen te geven zodat de omzet vergroot en een winstgevende exploitatie gerealiseerd kan worden. Hij wil zijn bedrijf een forse, noodzakelijke impuls geven door het grootste springkussen van Europa te gaan exploiteren. De financieringsbehoefte hiervoor is bepaald op € 147.500,-, waarvan een bedrag van € 117.500,- uit het Bbz gefinancierd zou moeten worden. De bedrijfsplannen zijn netjes uitgewerkt, maar een goede onderbouwing van haalbare omzetten ontbreekt. Verzoeker mist cruciale vaardigheden op commercieel en verkooptechnisch gebied. Daarnaast kleven er afbreukrisico’s aan de plannen, waardoor er onzekerheid bestaat over de kans van slagen van de bedrijfsplannen. Hoewel de taakstellende omzet van € 300.000,- op de lange duur niet onmogelijk is, vormt de weg ernaar toe een obstakel. Er zijn te geringe buffers om in de aanloopfase alle verplichtingen te kunnen nakomen, waardoor financieringsproblemen worden voorzien en waarvoor geen oplossing aanwezig is. De financierings- en afbreukrisico’s van het bedrijfsplan zijn te groot, waardoor het bedrijf een onzekere toekomst tegemoet gaat.

1.5.

Bij besluit van 8 mei 2014 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van het IMK, de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is.

1.6.

Op 3 september 2014 heeft drs. T.M.M. Tetteroo MBA (Tetteroo) op verzoek van appellant een deskundigenrapport uitgebracht. Tetteroo bestrijdt dat een goede onderbouwing van haalbare omzetten ontbreekt, aangezien in het ondernemingsplan op basis van een onderbouwde inschatting van exploitatiedagen en bezoekersaantallen een potentiële omzet wordt gegeven. Tetteroo heeft voorts gerapporteerd dat hem na een uitgebreid gesprek met verzoeker is gebleken dat verzoeker uitstekend weet waar hij mee bezig is, dat hij erin is geslaagd om met diverse partijen afspraken te maken over de inzet van het springkussen en dat hij lef heeft en een groot doorzettingsvermogen. Tetteroo vindt het levensvatbaarheidsonderzoek door het IMK netjes uitgewerkt. Het bevat veel juiste opmerkingen, maar het is te pessimistisch. De gestelde afbreukrisico’s kunnen volgens Tetteroo ten slotte worden gemitigeerd door het afsluiten van verzekeringen.

1.7.

Bij besluit van 15 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 8 mei 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.8.

Het IMK heeft op verzoek van de rechtbank op 30 oktober 2014 op het rapport van

3 september 2014 van Tetteroo gereageerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf van appellant ten tijde van het besluit op de aanvraag niet levensvatbaar was en of de besluitvorming mocht worden gebaseerd op het IMK-advies.

4.2.

Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.3.

Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2629) is een bijstandverlenend orgaan gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming over vragen betreffende de levensvatbaarheid van ondernemingen te baseren op verkregen adviezen van deskundige instanties. Het IMK is als een zodanige instantie aan te merken. Het college mag bij de besluitvorming daarom in beginsel uitgaan van het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van dat advies of aan de inhoud daarvan.

4.5.

Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat in het advies van het IMK vooral is gekeken naar de persoon van appellant die volgens het advies over onvoldoende ondernemerschap zou beschikken, om te concluderen dat zijn bedrijf niet levensvatbaar is. Hiervoor is geen dragende motivering gegeven, terwijl slechts anderhalf uur met appellant is gesproken. Voorts biedt het rapport van Tetteroo voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het advies van het IMK.

4.6.

Anders dan appellant stelt, is de conclusie van het advies niet uitsluitend gebaseerd op de ondernemerskenmerken van appellant, maar ook op een commerciële en financiële analyse van het bedrijfsplan. Hierin is rekening gehouden met de marktsituatie en de marktmogelijkheden en zijn de financiële positie, de kredietbehoefte en de financiering in kaart gebracht. De stelling van appellant dat het IMK slechts op basis van een gesprek van anderhalf uur heeft geconcludeerd dat appellant niet beschikt over de vereiste ondernemerscapaciteiten, volgt de Raad niet. De ondernemerscapaciteiten van appellant zijn door het IMK bezien in samenhang met de commerciële en financiële analyse van het bedrijfsplan en kunnen niet los daarvan worden beoordeeld. Appellant heeft geen commerciële verkoopopleiding en heeft zelf in zijn ondernemingsplan van januari 2014 aangegeven dat hij over een matig financieel- en commercieel inzicht beschikt.

4.7.

Voorts biedt het rapport van Tetteroo onvoldoende aanknopingspunten om aan het

IMK-rapport te twijfelen. Uit dat rapport blijkt niet dat Tetteroo zelf als deskundige onderzoek heeft gedaan naar de haalbaarheid van de omzetten. Zoals het IMK in zijn reactie van 30 oktober 2014 stelt, schiet de onderbouwing van haalbare omzetten tekort. Tetteroo heeft in zijn rapport gewezen op het feit dat in het businessplan wordt gewezen op het verwachte aantal exploitatiedagen en het verwachte aantal bezoekende kinderen per dag. Het gaat hier om eigen verwachtingen en niet om een concrete onderbouwing van de verwachte omzetten. Verder heeft appellant zelf de haalbaarheid van de gestelde omzetten van zijn bedrijf onvoldoende onderbouwd. Zo heeft hij zijn stelling dat hij contacten heeft opgedaan en onderhouden die kunnen leiden tot het aantal geschatte exploitatiedagen, onvoldoende met concrete en verifieerbare stukken onderbouwd. Ook de door hem overgelegde stukken die zien op de markt waar zijn bedrijf zich in begeeft, zijn te algemeen en daardoor onvoldoende om aan de juistheid van het rapport van het IMK te doen twijfelen.

4.8.

Anders dan appellant betoogt, leidt de omstandigheid dat de kredietaanvraag na het advies van het IMK niet is behandeld door de Commissie Zelfstandigen, die, zoals blijkt uit door appellant overgelegde antwoorden van het college aan de gemeenteraad van

20 november 2013, in januari 1997 is ingesteld, niet tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit. Appellant stelt dat door het niet conform de eigen werkwijze van het college inschakelen van de Commissie Zelfstandigen de onafhankelijkheid van het IMK niet is gewaarborgd. Volgens vaste rechtspraak (zie de in 4.4 genoemde uitspraak) is een bijstandverlenend orgaan in zaken als hier aan de orde gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als het IMK. In dit geval is geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onafhankelijkheid van het IMK in het advies van 11 april 2014 niet was gewaarborgd.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het college bij zijn besluitvorming mocht uitgaan van het IMK-advies van 11 april 2014. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijf van appellant ten tijde van het besluit op de aanvraag niet levensvatbaar was.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. ter Brugge en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2015.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) R.G. van den Berg

HD