Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3848

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
15-669 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om Bijzondere bijstand toe te kennen. Geen persoonlijke omstandigheden gesteld. Geen noodzakelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/669 WWB

Datum uitspraak: 3 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 december 2014, 14/3373 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek te Groenlo (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.P. Boer, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Hij heeft op 6 januari 2014 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd in verband met een vordering van € 1.054,27 van incassobureau [naam bureau L] ([L]). Dit betrof oorspronkelijk een geldschuld aan KPN, die deze geldschuld op enig moment heeft overgedragen aan [L] (aanvraag I).

1.2.

Op 21 januari 2014 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor vergoeding van een factuur van kachelspecialist de Heide Smid van 14 januari 2014 van € 761,-. De factuur bestaat uit een bedrag van € 125,- voor een inspectie die op 8 november 2011 is uitgevoerd, een bedrag van € 106,- voor het uitbrengen van een aangepaste offerte op 24 december 2013 en een bedrag van € 530,- voor kosten die gemaakt zijn om als getuige-deskundige op te treden bij een zitting bij de rechtbank op 14 januari 2014 (aanvraag II).

1.3.

Appellant heeft op 21 januari 2014 bijzondere bijstand aangevraagd voor vergoeding van een bedrag van € 419,74 dat incassobureau [naam bureau F] per brief van 16 januari 2014 namens het Hoofdbedrijfschap Detailhandel van hem vordert (aanvraag III).

1.4.

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft het dagelijks bestuur de aanvragen I, II en III van appellant afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 15 april 2014 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 30 januari 2014 ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft aan de afwijzing van aanvraag I ten grondslag gelegd dat de aanvraag te laat is ingediend. Het dagelijks bestuur heeft daarbij verwezen naar artikel 3 van de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid 2011, op grond waarvan de aanvraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat, of vlak nadat de kosten zijn gemaakt, in ieder geval binnen één maand. Aan de afwijzing van aanvraag II ligt ten grondslag dat de kosten van het uitvoeren van de inspectie en de aanpassing van een offerte niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat deze kosten samenhangen met de plaatsing van een kachel en de aanleg van een dubbelwandig rookkanaal, terwijl in een eerdere procedure naar aanleiding van een aanvraag om bijzondere bijstand voor vergoeding van deze kosten al is komen vast te staan dat het om niet noodzakelijke kosten gaat. De kosten voor een ingeschakelde deskundige zijn geen noodzakelijke kosten, omdat appellant deze deskundige zelf heeft ingeschakeld en daartoe niet verplicht was. Aan de afwijzing van aanvraag III heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB aan bijstandverlening in de weg staat. Daarnaast is geen sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft ten aanzien van de afwijzing van de aanvragen I, II en III aangevoerd dat het dagelijks bestuur onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Het dagelijks bestuur had meer onderzoek moeten doen naar de omstandigheden van appellant ten tijde van de aanvragen. Deze beroepsgrond slaagt niet, alleen al omdat appellant ook desgevraagd ter zitting niet heeft aangegeven welke persoonlijke omstandigheden dan hadden moeten worden betrokken bij de beoordeling van de aanvragen.

4.2.

Met betrekking tot de afwijzing van aanvraag II, voor zover die aanvraag betrekking heeft op de inspectie en de aangepaste offerte, heeft appellant aangevoerd dat het gaat om noodzakelijke kosten, omdat appellant de laatste vijf jaren regelmatig is afgesloten van elektriciteit en gas. De Raad stelt vast dat het dagelijks bestuur een eerdere aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de aanleg van een dubbelwandig rookkanaal en een kachel ten behoeve van warmtevoorziening bij besluit van 15 oktober 2012 heeft afgewezen op de grond dat deze kosten niet zijn aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Dat besluit is met de uitspraak van 4 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:329) in rechte vast komen te staan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de kosten waarvoor appellant thans bijzondere bijstand heeft aangevraagd en die in het verlengde liggen van de eerder niet noodzakelijke geachte kosten, eveneens niet noodzakelijk zijn. De omstandigheid dat appellant regelmatig wordt afgesloten van elektriciteit en gas, maakt dit niet anders. Hierbij is van belang dat appellant de kosten van elektriciteit en gas in beginsel uit zijn ouderdomspensioen moet kunnen voldoen. De kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zijn een gevolg van de keuze van appellant om de kosten voor elektriciteit en gas niet te voldoen, als gevolg waarvan hij regelmatig van elektriciteit en gas wordt afgesloten. De kosten die het gevolg zijn van die keuze kunnen niet worden afgewenteld op het dagelijks bestuur.

4.3.

Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

3 november 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD