Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3846

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
14-464 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Appellante heeft langer dan toegestaan in het buitenland verbleven. Geen noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/464 WWB

Datum uitspraak: 3 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
19 december 2013, 13/2122 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Colgecen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Namens appellante is mr. Colgecen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. M.A.C. Kooij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 januari 1997 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 6 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 februari 2013 (bestreden besluit), heeft het college - voor zover hier van belang - bepaald dat appellante over de periode van 20 september 2012 tot 20 oktober 2012 geen recht heeft op bijstand omdat zij gedurende deze periode langer dan de toegestane vier weken per kalenderjaar in het buitenland heeft verbleven. Van zeer dringende redenen om toch bijstand toe te kennen, is niet gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep keert appellante zich tegen deze uitspraak. Zij voert aan dat haar aanwezigheid in Turkije in de periode van 20 september 2012 tot 20 oktober 2012 noodzakelijk was omdat zij van haar familieleden de enige geschikte stamceldonor voor haar broer was. Hij werd in Turkije behandeld voor acute lymfoblastische leukemie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is allereerst de vraag aan de orde of - zoals appellante stelt - haar aanwezigheid in Turkije in de periode van 20 september 2012 tot 20 oktober 2012 noodzakelijk was in verband met de medische behandeling van haar broer. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is de volgende vraag of dit een zeer dringende reden oplevert om appellante, in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, bijstand toe te kennen.

4.2.

Zoals ter zitting met partijen is vastgesteld, bevinden zich bij de stukken geen objectief verifieerbare gegevens waaruit blijkt dat het noodzakelijk was dat appellante in de periode van 20 september 2012 tot 20 oktober 2012 in Turkije moest verblijven ten behoeve van de behandeling van haar broer. De enkele stelling van appellante, dat de behandelaars van haar broer dit noodzakelijk achtten in verband met een uit te voeren stamceltransplantatie, is onvoldoende om dat aannemelijk te achten. Aan de beantwoording van de vraag of de door appellante gestelde noodzaak een zeer dringende reden oplevert, komt de Raad daarom niet toe.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

3 november 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD