Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
14-6084 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opleggen maatregel. Recidive. Maand van opleggen. Niet gehandeld in strijd met de rechtszekerheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6084 WWB

Datum uitspraak: 3 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2014, 14/3649 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Namens appellant is mr. De Heer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. lo fo Sang.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn partner [naam] (G) ontvangen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bij besluit van 17 april 2013 heeft het college aan G een waarschuwing gegeven, op de grond dat zij onvoldoende medewerking heeft verleend door niet te verschijnen op afspraken op 4 april 2013 en 17 april 2013.

1.3.

Bij besluit van 28 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 augustus 2013, heeft het college een maatregel van 30% gedurende één maand aan appellant en G opgelegd.

1.4.

Bij brief van 29 januari 2014 heeft het college G uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) op 7 februari 2014. Zij is niet verschenen op dit gesprek. Vervolgens is zij bij brief van 24 februari 2014 uitgenodigd om haar zienswijze te geven op het kantoor van DWI op 5 maart 2014.

1.5.

Bij besluit van 24 maart 2014 heeft het college een maatregel van 100% gedurende één maand met ingang van april 2014 aan appellant en G opgelegd op de grond dat G zich binnen twaalf maanden voor de derde keer verwijtbaar heeft gedragen door zonder bericht niet te verschijnen op uitnodigingen.

1.6.

Bij besluit van 4 april 2014 heeft het college het besluit van 24 maart 2014 herzien en een maatregel van 100% gedurende één maand met ingang van april 2014 aan G opgelegd op de grond dat zij zich binnen twaalf maanden voor de derde keer verwijtbaar heeft gedragen door zonder bericht niet te verschijnen op oproepen van 7 februari 2014 en 5 maart 2014 teneinde onderzoek te doen naar de mogelijkheid van arbeidsinschakeling.

1.7.

Bij besluit van 6 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college - voor zover van belang - het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de nader te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of het college de maatregel mocht opleggen in april, nu het besluit eerst in die maand is genomen. Appellant voert aan dat dit in strijd is met paragraaf 8.3.1.6 van de Beleidsvoorschriften Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam.

4.2.

Uit deze paragraaf volgt dat het opleggen van een maatregel pas mag plaatsvinden nadat het afstemmingsbesluit is genomen.

4.3.

De beroepsgrond van appellant dat hij financieel geen rekening heeft kunnen houden met de maatregel omdat de oplegging van de maatregel en de uitvoering daarvan in dezelfde maand hebben plaatsgevonden, slaagt niet. Het college heeft G reeds eerder een waarschuwing gegeven voor haar gedrag en een maatregel van 30% opgelegd, zij is meerdere malen uitgenodigd voor gesprekken op het kantoor van DWI en het college heeft meerdere malen schriftelijk aan G en mondeling aan appellant meegedeeld dat het gedrag van G tot oplegging van een maatregel kan leiden. Voorts was appellant reeds bij - het later herziene - besluit van 24 maart 2014 op de hoogte van de oplegging van de maatregel in de maand april 2014. Bovendien vindt de betaling van de bijstand aan het einde van de maand plaats en is het besluit aan het begin van de maand genomen en kenbaar gemaakt, waardoor appellant rekening had kunnen houden met de omstandigheid dat hij in de maand april 2014 geen bijstand zou ontvangen zodat geen sprake is van schending van het rechtzekerheidsbeginsel.

4.4.

In de enkele omstandigheid dat appellant een gezin met kinderen heeft, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van appellant, de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid van appellant het college aanleiding hadden moeten geven de maatregel te matigen of af te zien van oplegging daarvan.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C. Moustaïne

HD