Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
14-5154 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening van het terugvorderingsbesluit. Appellante heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevoerde feiten en omstandigheden waren reeds bij het tot stand komen van het besluit van 26 maart 2008 bekend en hadden tijdens de bezwaarprocedure tegen dit besluit aan de orde gesteld kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5154 WWB

Datum uitspraak: 3 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 juli 2014, 14/972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Sarkis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sarkis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M. Pluijmaeckers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 4 mei 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2.

Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 11 juni 2007 op de grond dat appellante haar hoofdverblijf niet had op het door haar opgegeven adres. Het college heeft de bijstand bij afzonderlijk besluit van 26 maart 2008 van appellante teruggevorderd over de periode van 11 juni 2007 tot en met 31 december 2007 tot een bedrag van € 8.032,40.

1.3.

Bij brief van 23 juli 2013 heeft appellante verzocht om herziening van het terugvorderingsbesluit.

1.4.

Bij besluit van 5 september 2013, gehandhaafd bij besluit van 14 februari 2014 (bestreden besluit), heeft het college het herzieningsverzoek van 23 juli 2013 afgewezen. Appellante heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevoerde feiten en omstandigheden waren reeds bij het tot stand komen van het besluit van 26 maart 2008 bekend en hadden tijdens de bezwaarprocedure tegen dit besluit aan de orde gesteld kunnen worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de nader te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellante strekt ertoe dat het college terugkomt van het besluit van

26 maart 2008. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden nu appellante de naar voren gebrachte omstandigheden aan de orde had kunnen stellen bij een bezwaarprocedure tegen het terugvorderingsbesluit. De verklaring van [naam 1] , voormalig huisbaas van appellante, (H.) van 1 april 2015 en de verklaring van [naam 2] , voormalig re-integratieconsulent van appellante, (O.) van 22 november 2013 heeft appellante overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij wel woonde op het door haar opgegeven adres. Niet is gebleken dat zij deze verklaringen niet eerder had kunnen opvragen en overleggen. Dat H. niet bereikbaar was of lange tijd buiten Nederland woonde heeft appellante niet onderbouwd. Verder volgt uit de enkele omstandigheid dat het voor appellante lastig was om O. te contacteren niet dat het niet mogelijk was om de verklaring eerder op te vragen en over te leggen. De in hoger beroep overgelegde verklaring van H. van 21 september 2015 kan op grond van vaste rechtspraak (uitspraak van 26 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2884) niet worden meegenomen in de beoordeling, nu gegevens die een betrokkene wenst aan te voeren ten bewijze dat nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gebleken, uiterlijk in bezwaar overgelegd dienen te worden.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C. Moustaïne

HD