Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
14-3062 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Recidive. Geen sprake van dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3062 WWB

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 april 2014, 13/5564 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C. Hoogendoorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving, samen met zijn echtgenote, sinds 1 mei 2007 bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op hem zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing.

1.2.

In het kader van zijn re-integratie heeft appellant in de periode van 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013 vier dagen per week deelgenomen aan het traject Groen Werkt bij [B].

1.3.

Bij besluit van 22 mei 2013, gehandhaafd bij besluit van 23 september 2013 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met 50% verlaagd voor de duur van twee maanden, omdat hij op 10 april 2013 ongeoorloofd afwezig was bij het traject bij [B]. De duur van de maatregel is verdubbeld omdat sprake is van recidive.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van belang zijnde bepalingen van de WWB en de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013 van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (Verordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant op 10 april 2013 niet is verschenen op het traject bij [B].

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij op 10 april 2013 niet zonder toestemming is weggebleven van het traject bij [B]. Van een maatregelwaardige gedraging is daarom geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de mails van 8 mei 2013 en 5 juni 2013 van zijn begeleider blijkt dat appellant toestemming heeft gekregen voor een afspraak op 10 april 2013 met de sociale dienst, maar dat hij daarna weer zou komen werken. Het had voor appellant duidelijk moeten zijn dat hij op 10 april 2013 nog op het werk werd verwacht. Dat appellant om hem moverende redenen niet meer naar [B] is gegaan en daarover geen contact heeft opgenomen met zijn begeleider, valt hem aan te rekenen.

4.3.

Het dagelijks bestuur heeft het op 10 april 2013 zonder toestemming niet meer op het traject verschijnen terecht gekwalificeerd als het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van geboden re-integratievoorzieningen, waaronder begrepen sociale activering. Deze gedraging is op grond van artikel 11, derde lid, onder d, van de Verordening aan te merken als een gedraging van de derde categorie die, in geval van recidive, op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening, in samenhang met artikel 10, eerste lid, van de Verordening, leidt tot een verlaging van de bijstand met 50% gedurende twee maanden.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal niet goed heeft begrepen wat was afgesproken. Hij veronderstelde dat hij een dag vrij had gekregen voor een afspraak met de sociale dienst. Het dagelijks bestuur had daarom moeten afzien van het opleggen van een maatregel omdat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Dat appellant vanwege taalproblemen de afspraak niet goed heeft begrepen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Het is voorts aan appellant om ervoor te zorgen dat de strekking van een afspraak duidelijk is, temeer omdat in de overeenkomst tussen appellant en [B] is opgenomen dat ongeoorloofd verzuim kan leiden tot het opleggen van een maatregel.

4.5.

Appellant heeft voorts onder verwijzing naar een brief van 1 juli 2013 van Vluchtelingenwerkgroep [plaats] aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 4, derde lid, van de Verordening is bepaald dat omstandigheden die het rechtstreekse gevolg zijn van een als verwijtbaar aan te merken gedraging geen dringende redenen zijn. In de toelichting op artikel 4 van de Verordening wordt vermeld dat sprake moet zijn van een situatie waarin oplegging van de maatregel leidt tot onafwendbare ernstige psychische of lichamelijke problemen bij belanghebbende, die een levensbedreigende situatie tot gevolg zouden hebben. Appellant heeft met de brief van Vluchtelingenwerkgroep [plaats] niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich hier voordoet. Uit die brief blijkt enkel dat deze organisatie zich ernstig zorgen maakt over de gevolgen van de opgelegde maatregel voor het gezin en met name de kinderen van appellant, en dat de organisatie van ouders van andere kinderen bezorgde verhalen hoort over kapotte kleding en ongezonde voeding, wat de organisatie een onwenselijke situatie vindt. Hierin heeft het dagelijks bestuur dan ook geen aanleiding hoeven zien om van de verlaging van de bijstand af te zien.

4.6.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, bestaat ten slotte geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant deze gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, aanleiding had moeten zien om geen of een lagere maatregel op te leggen. Niet in geschil is dat de bijstand van appellant al eerder met 50% is verlaagd over de maanden november 2012, januari 2013, februari 2013 en maart 2013 in verband met gedragingen van de derde categorie. Vanwege zijn gezinsomstandigheden is ervan afgezien de laatste maatregel te verdubbelen. Omdat appellant volhardde in zijn gedrag is thans de maatregel wel verdubbeld.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) B. Fotchind

HD