Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
14/6479 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van tussen-schoolse opvang. Kosten doen zich niet meer voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6479 WWB

Datum uitspraak: 3 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

14 oktober 2014, 14/3354 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 18 november 2013 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van tussenschoolse opvang van haar kinderen. Het betreft de kosten voor het schooljaar 2013-2014 ten behoeve van [X.], geboren

[in] 2004, en [Y.], geboren [in] 2006, tot een bedrag van € 200,- per kind.

1.2.

Bij afzonderlijke besluiten van 23 december 2013 heeft het college bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van in totaal € 80,- per kind, zijnde 4 x de maandelijks verschuldigde bijdrage van € 20,- over de periode van 1 september 2013 tot en met

31 december 2013. Verder heeft het college meegedeeld dat de tussenschoolse opvang vanaf 2014 niet wordt vergoed omdat de kosten van tussenschoolse opvang vanaf 1 januari 2014 kunnen worden voldaan uit de al toegekende scholierenvergoeding of uit eigen middelen.

1.3.

Bij besluit van 23 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 23 december 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat is gebleken dat appellante vanaf 1 januari 2014 geen kosten van tussenschoolse opvang meer verschuldigd is, zodat geen noodzaak bestaat voor een vergoeding door middel van bijzondere bijstandsverlening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.3.

Appellante ontving vanaf 2010 tot en met het schooljaar 2012-2013, vanwege een sociaal-medische indicatie en in afwijking van het gemeentelijke beleid, bijzondere bijstand voor de kosten van tussenschoolse opvang voor haar kinderen. Ten tijde van de aanvraag van 18 november 2013 was de sociaal-medische indicatie niet langer aanwezig. Het college heeft ter zitting toegelicht dat appellante uit coulance is tegemoetgekomen door bij de onder 1.2 genoemde besluiten niettemin nog bijzondere bijstand toe te kennen tot een bedrag van € 80,- per kind over de periode van 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.

4.4.

Gelet hierop is in hoger beroep uitsluitend in geschil of het college de over de periode vanaf 1 januari 2014 gevraagde bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.

4.5.

Niet in geschil is dat appellante vanaf 1 januari 2014 geen gebruik meer maakt van de tussenschoolse opvang voor haar kinderen en dat aan appellante vanaf 1 januari 2014 ook geen kosten voor de tussenschoolse opvang in rekening zijn gebracht. Met de rechtbank en anders dan appellante heeft betoogd, moet dan ook worden geoordeeld dat de kosten zich niet voordoen. Reeds hierom kan appellante niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij recht heeft op bijzondere bijstand. Voor zover appellante betoogt dat zij de tussenschoolse opvang heeft moeten beëindigen, omdat zij niet in staat was de hieraan verbonden kosten te voldoen wordt, ten overvloede, overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het om noodzakelijke kosten gaat. In bezwaar heeft appellante immers aangegeven dat haar kinderen vanaf begin 2014 in de middag in het bijzijn van haar echtgenoot hun lunch gebruiken. Appellante heeft wel gesteld dat dit een grote belasting vormt, maar zij heeft daarvoor in het geheel geen onderbouwende gegevens overgelegd. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat het college niet ten onrechte heeft laten meewegen dat appellante een scholierenvergoeding ontvangt, waaruit mede de kosten van tussenschoolse opvang kunnen worden voldaan. Dat de scholierenvergoeding niet toereikend is om alle kosten van deelname aan onderwijs, sport of cultuur te kunnen voldoen, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat de kosten van tussenschoolse opvang als noodzakelijke kosten moeten worden aangemerkt.

4.6.

Anders dan appellante meent, kan zij aan artikel 16, eerste lid, van de WWB geen aanspraak op bijzondere bijstand ontlenen. Ingevolge deze bepaling kan het college, gelet op alle omstandigheden, aan een persoon die geen recht heeft op bijstand, in afwijking van paragraaf 2.2 van de WWB, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Vaststaat dat appellante behoort tot de personenkring van de WWB, zoals omschreven in artikel 11 van de WWB, en dat zij niet op grond van het bepaalde in artikel 13 van de WWB is uitgesloten van het recht op bijstand. Daarom kan appellante niet worden aangemerkt als een persoon die geen recht op bijstand heeft als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, zodat die bepaling in haar situatie toepassing mist. Dit betekent dat aan de beoordeling of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden in dit geval niet wordt toegekomen.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat met de rechtbank moet worden geoordeeld dat het college de aanvraag voor de kosten van tussenschoolse opvang terecht heeft afgewezen.

4.8.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD