Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
14/2556 WWB e.v.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Afwijzing Aanvraag. Niet woonachtig op uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2556 WWB, 14/2558 WWB, 14/2573 WWB, 14/2574 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van

28 april 2014, 13/3193 (aangevallen uitspraak 1), 13/5580 (aangevallen uitspraak 2) en 13/4487 en 13/4488 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in deze zaken heeft, samen met de zaak onder nummer 14/5830 WWB, gevoegd plaatsgevonden op 8 september 2015. Partijen zijn opgeroepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen. Als tolk voor appellant is opgetreden E. Bettaloglu. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.W.J. Heijsterman en M.C.J. Jansen. In de gevoegde zaak onder nummer 14/5830 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 24 mei 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij staat ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Zijn ex-partner, [naam ex-partner] (K) is woonachtig op het adres [adres 2] te [woonplaats] (adres van K).

1.2.

Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant en K in voorliggende jaren met elkaar op vakantie zijn geweest, hebben medewerkers handhaving, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Cuijk, Grave Mill (ISD) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek gedaan, met appellant op 26 november 2012 gesproken en aansluitend een huisbezoek aan het uitkeringsadres afgelegd. De medewerkers hebben van het gesprek een verslag gemaakt. Appellant heeft dit verslag gelezen, volhard in zijn verklaring en het verslag per pagina ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 december 2012.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om bij besluit van

6 december 2012 de bijstand met ingang van 26 november 2012 in te trekken.

1.4.

De medewerkers hebben naar aanleiding van het door appellant ingediende bezwaar gegevens over het water- en energieverbruik bij de leveranciers opgevraagd. De medewerker bezwaar en beroep van de ISD heeft de bevindingen hiervan neergelegd in een Notitie van heroverweging van 2 april 2013.

1.5.

Bij besluit van 21 mei 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet daadwerkelijk woonachtig is op het uitkeringsadres. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden door geen duidelijkheid te verschaffen over zijn feitelijke woonsituatie. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.6.

Het college heeft in de in 1.2 vermelde onderzoeksbevindingen voorts aanleiding gezien om een vervolgonderzoek te doen naar de reeds verstrekte bijstand. In dat kader hebben medewerkers werkzaam bij de ISD de in 1.3 opgevraagde gegevens van het water- en energieverbruik meegewogen en een buurtonderzoek in de omgeving van het uitkeringsadres verricht. De buurtbewoners hebben alleen anoniem een verklaring willen afleggen. Voorts is een huisbezoek verricht aan het adres van K. Daar is niets aangetroffen dat op het verblijf van appellant wijst. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

9 januari 2013.

1.7.

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 26 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 december 2013 (bestreden besluit 2), de bijstand over de periode van 2 juli 2012 tot en met 31 oktober 2012 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 3.991,86 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in de periode van 2 juli 2012 tot en met 31 oktober 2012 niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Appellant heeft hiermee zijn inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.8.

Appellant heeft zich op 14 december 2012 gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. Op 29 januari 2013 heeft hij die aanvraag ingediend.

1.9.

Naar aanleiding van deze aanvraag hebben medewerkers werkzaam bij de ISD een onderzoek ingesteld naar zijn woonsituatie. In dat kader hebben de medewerkers onder meer gesproken met appellant op 29 januari 2013 en hebben zij aansluitend een huisbezoek verricht aan het uitkeringsadres. De medewerkers hebben de bevindingen van het onderzoek neergelegd in een rapport van 5 februari 2013.

1.10.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om de aanvraag bij besluit van 21 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2013 (bestreden besluit 3), af te wijzen op de grond dat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonsituatie. Appellant heeft hiermee zijn inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.11.

Appellant heeft op 23 januari 2013 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor advocaatkosten ter hoogte van € 127,-.

1.12.

Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 21 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2013 (bestreden besluit 4), afgewezen op de grond als onder 1.10 weergegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Samengevat heeft appellant als gronden aangevoerd dat hij wel woonde op het uitkeringsadres en dat hij dus de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking met ingang van 26 november 2012

4.1.

De hier te beoordelen periode is van 26 november 2012 tot en met 6 december 2012

(te beoordelen periode I).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.

4.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de te beoordelen periode I niet woonde op het opgegeven uitkeringsadres. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van schending van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de belanghebbende recht heeft op bijstand.

4.4.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag vormen voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode I niet woonde in de woning op het uitkeringsadres.

4.4.1.

De rechtbank heeft daarbij met juistheid doorslaggevende betekenis toegekend aan het uit het onderzoek gebleken extreem lage waterverbruik. Uit de gegevens van Brabant Water is naar voren gekomen dat de meteropnemer op 2 juli 2012 de stand van de watermeter op

504 m³ heeft vastgesteld en dat ten tijde van het huisbezoek op 26 november 2012 de meterstand eveneens 504 m³ bedroeg, dus een waterverbruik van minder dan 1 m³ in ongeveer 5 maanden. Bij een dergelijk extreem laag waterverbruik is het aannemelijk dat appellant niet heeft gewoond op het uitkeringsadres. De stelling van appellant, dat hij zuinig was in het verbruik, in de gemeten periode ook op vakantie is geweest, weinig kookte in verband met zijn dieet, veel van huis was en zelf zijn was deed en niet na elk toiletgebruik zijn toilet (volledig) door trok, verklaart niet het extreem lage waterverbruik. Daarnaast is het jaarverbruik van elektriciteit en gas in de woning van appellant, afgezet tegen een gemiddeld verbruik voor een eenpersoonshuishouden, laag geweest.

4.4.2.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat de bevindingen van het huisbezoek op 26 november 2012 steun bieden voor de conclusie dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. De vooraf gedane verklaringen stroken niet met de tijdens het huisbezoek in de woning daadwerkelijk aangetroffen situatie. De bankafschriften, medicijnen en een scheerapparaat bleken, anders dan hij heeft verklaard, niet in de woning aanwezig te zijn. In de keukeninrichting ontbrak een koelkast, was het fornuis niet aangesloten en zijn een droge waterkoker en wasbak aangetroffen. Over de koelkast heeft appellant op 26 november 2012 verklaard dat deze niet aanwezig was en deze verkocht zou zijn. Ter zitting heeft hij echter verklaard dat er wel een koelkast aanwezig was. In de keuken zijn verder alleen een klein potje koffie, een half zakje koekjes en een half doosje thee aangetroffen. Appellant kon desgevraagd geen etensresten laten zien waaruit bleek dat hij daar gegeten of gedronken had.

4.4.3.

De stelling van appellant dat hem ten onrechte geen cautie is gegeven voorafgaande aan het gesprek op 26 november 2012 treft geen doel. De rechtbank heeft terecht verwezen naar vaste rechtspraak dat die niet nodig was (uitspraak van 28 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3682). Appellant heeft niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank niet gevolgd kan worden.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat appellant in de te beoordelen periode I niet woonachtig is geweest op het uitkeringsadres. Appellant heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting hiervan bij het college geen melding gemaakt. Dit betekent dat het college bevoegd was om de bijstand met ingang van 26 november 2012 in te trekken.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat dit hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

De intrekking en terugvordering met ingang van 2 juli 2012

4.7.

De hier te beoordelen periode is van 2 juli 2012 tot en met 31 oktober 2012 (te beoordelen periode II). De onder 4.4.1 en 4.4.2 vermelde onderzoeksbevindingen vormen eveneens een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode II niet woonde in de woning op het uitkeringsadres.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting hiervan bij het college geen melding heeft gemaakt. Dit betekent dat het college bevoegd was om de bijstand over de te beoordelen periode II in te trekken. Appellant heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.9.

Uit 4.7 tot en met 4.8 volgt dat ook dit hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

De aanvraag met ingang van 14 december 2012

4.10.

De te beoordelen periode is van 14 december 2012 tot en met 21 februari 2013 (te beoordelen periode III).

4.11.

Indien periodieke bijstand is ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.12.

Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant heeft niet aangetoond dat hij in de te beoordelen periode III wel woonde op het uitkeringsadres. Uit het verslag van het huisbezoek op 29 januari 2013 is naar voren gekomen dat de inrichting van de woning weliswaar gewijzigd was, maar dat de woning geen bewoonde indruk maakte. Appellant kon geen levensmiddelen, vuilnis of vuile was tonen. Evenmin heeft hij persoonlijke administratie behoudens recente post kunnen laten zien. Appellant kon geen afdoende verklaring geven

voor het ontbreken van de gevraagde zaken. Het voorgaande betekent dat het college op juiste gronden heeft geconcludeerd dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden in de onder

4.11

bedoelde zin. Het college heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht afgewezen.

4.13.

Zoals ter zitting besproken is tussen partijen niet in geschil dat als het bestreden

besluit 3 standhoudt, de aanvraag om bijzondere bijstand terecht is afgewezen.

4.14.

Uit 4.10 tot en met 4.13 vloeit voort dat ook het laatste hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 3 moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.M. Fleuren

HD