Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
14/5157 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:7340, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging toeslag tot 10% i.v.m. kosten delen met inwonend kind met studiefinanciering. Inkomen uit werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5157 WWB

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2014, 14/1359 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van Dinter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Avedissian.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde in geding bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20% van het netto minimumloon.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal dat een van de inwonende kinderen van appellante

21 jaar was geworden, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de inkomsten van alle bij appellante inwonende meerderjarige kinderen. Hieruit is naar voren gekomen dat de meerderjarige inwonende dochter van appellante, [naam dochter A], geboren op

[in] 1994, (dochter) naast haar inkomsten uit studiefinanciering met ingang van

1 oktober 2013 ook inkomsten uit arbeid had. Haar totale inkomen was hoger dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs.

1.3.

Bij besluit van 17 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het college met ingang van 1 oktober 2013 de hoogte van de toeslag gewijzigd in 10% van het netto minimumloon omdat appellante de noodzakelijke bestaanskosten kon delen met een ander.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de hier van belang zijnde bepalingen van de WWB en de Verordening toeslagen en verlagingen wet werk en bijstand Rotterdam 2012 (Verordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Niet in geschil is dat de dochter met ingang van 1 oktober 2013 een inkomen had dat lag boven het normbedrag dat is genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 (normbedrag), zodat het college op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, van de Verordening de toeslag diende te verlagen naar 10% van het netto minimumloon.

4.2.

De beroepsgrond dat het bestreden besluit op onjuiste feiten is gebaseerd omdat enkel de dochter, en niet haar meerderjarige inwonende zoon, een inkomen heeft boven het normbedrag, slaagt niet. In het bestreden besluit staat duidelijk vermeld dat de verlaging van de toeslag is gebaseerd op de mogelijkheid om de kosten te kunnen delen met de dochter. Uit het bestreden besluit kan niet worden afgeleid dat ook het inkomen van haar meerderjarige inwonende zoon aan de besluitvorming ten grondslag ligt.

4.3.

De beroepsgrond dat het college van terugvordering had moeten afzien, slaagt niet reeds omdat van een terugvordering geen sprake is.

4.4.

Aan de verhuizing van de dochter per 10 januari 2014 kan, anders dan appellante kennelijk meent, geen betekenis toekomen, nu deze verhuizing heeft plaatsgevonden na totstandkoming van het bestreden besluit. Overigens heeft het college appellante in verband met die omstandigheid met ingang van 10 januari 2014 wederom een toeslag van 20% van het netto minimumloon toegekend.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Het college kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Dat appellante in de visie van het college een kansloze procedure voert, is hiervoor onvoldoende.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) B. Fotchind

HD