Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
03-11-2015
Zaaknummer
15/102 ANW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9633, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ANW-uitkering toe te kennen. Minder dan 45% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/102 ANW

Datum uitspraak: 30 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 november 2014, 14/1840 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Karkache, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2015. Namens appellante is verschenen mr. Karkache. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft, na het overlijden van haar echtgenoot op 19 maart 2013, in april 2013 een aanvraag om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ingediend bij de Svb. Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vervolgens een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 19 maart 2013 vastgesteld op 42,16%.

1.2.

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen. Daarbij is overwogen dat appellante niet voor minstens 45% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Naar aanleiding van het namens appellante tegen het besluit van 26 juli 2013 gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv gerapporteerd.

1.4.

Bij besluit van 30 januari 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juli 2013 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Svb onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn standpunt gehandhaafd dat appellante niet arbeidsongeschikt in de zin van de ANW is.

1.5.

Naar aanleiding van het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv een nader rapport van 9 mei 2014 uitgebracht. Daarbij is geconcludeerd dat de functie machinebediende inpak- en verpakkingsmachine (SBC-code 271093) niet passend is voor appellante vanwege het moeten kunnen lezen van de Nederlandse taal en dat de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) mede ten grondslag wordt gelegd aan de schatting, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante onveranderd blijft. De in beroep meegezonden medische informatie is voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding geweest om op 15 augustus 2014 aanvullend te rapporteren.

1.6.

De rechtbank heeft de Svb verzocht het Uwv de vraag voor te leggen of bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling rekening is gehouden met de vastgestelde osteoporose en de beperkingen die daaruit voortvloeien op de datum in geding, aangezien appellante kort daarna spontane botbreuken heeft gehad als gevolg van die aandoening. Verder is verzocht in te gaan op de vraag of bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling rekening is gehouden met de vastgestelde diabetes en complicatie als gevolg daarvan, nu bij appellante sprake is van diabetische neuropathische arthropathieën, een zogenaamde charcot voet. In een rapport van 19 september 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dit verzoek voldaan en heeft deze arts geconcludeerd geen aanleiding te zien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat hetgeen in beroep is aangevoerd geen aanleiding geeft om het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische oordeel voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 15 augustus 2014 en van 19 september 2014 gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom hij geen aanleiding ziet het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. In laatstgenoemd rapport heeft deze arts erop gewezen dat de diagnosen osteoporose, neuropathische arthropathieën en charcot voet ten tijde van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek weliswaar nog niet bekend waren, maar dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek wel forse beperkingen aan de onderste extremiteiten heeft vastgesteld. Deze hebben geleid tot het vaststellen van forse beperkingen ten aanzien van het bewegingsapparaat die ook tegemoet komen aan de cardiale problematiek van appellante. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij medisch ernstiger beperkt is dan dat is aangenomen door de Svb en de rechtbank. Daarbij is gesteld dat appellante belemmeringen ondervindt bij het hand- en vingergebruik en is erop gewezen dat appellante afhankelijk is van het gebruik van een scootmobiel. Verder is aangevoerd dat appellante de Nederlandse taal niet voldoende beheerst om de geduide functies te kunnen verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering in de zin van de ANW, omdat zij ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot niet voor ten minste 45% arbeidsongeschikt was.

4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde en wiens arbeidsongeschiktheid na die dag ten minste drie maanden voortduurt recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Dit artikel luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.4.

Er is geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Op grond van de beschikbare medische en andere gegevens moet geconcludeerd worden dat de verzekeringsartsen van het Uwv bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in voldoende mate rekening hebben gehouden met de voor appellante geldende lichamelijke beperkingen. De verzekeringsarts heeft tijdens het onderzoek van appellante op 14 juni 2013 vastgesteld dat geen afwijkingen of bewegingsbeperkingen aanwezig zijn aan de handen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien anders te concluderen en heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de informatie van de huisarts van 25 september 2013 niet blijkt van problematiek met de handen. In het in hoger beroep overlegde aanvullende rapport van 12 mei 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoegzaam gemotiveerd dat in de FML forse beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van lopen en staan tijdens werk en ten aanzien van traplopen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de bruikleenovereenkomst van de scootmobiel dateert van na de datum in geding en dat geen discrepanties bestaan tussen het verstrekken van een scootmobiel en de in de FML aangegeven beperkingen ten aanzien van lopen. Wat namens appellante in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Geconcludeerd moet daarom worden dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische grondslag.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen, zoals neergelegd in de FML, wordt met de Svb aangenomen dat appellante in medisch opzicht ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot geschikt was de aan de schatting ten grondslag liggende functies productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) en samensteller kunststof- en rubberindustrie (SBC-code 271130) te vervullen. De arbeidsdeskundigen van het Uwv hebben in hun rapporten inzichtelijk gesignaleerd waarom deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

4.6.

De stelling van appellante dat de onder 4.5 genoemde functies ongeschikt zijn omdat zij de Nederlandse taal schriftelijk niet beheerst wordt niet onderschreven. Appellante heeft in Marokko de basisschool en twee jaar voortgezet onderwijs gevolgd. Uit de functieomschrijvingen van de onder 4.5 vermelde functies blijkt dat volgens schriftelijke instructie wordt gewerkt, of naast mondelinge instructies ook schriftelijke instructies worden gegeven, of aan de hand van een schriftelijke instructie en een technische montagetekening, zo nodig met een mondelinge instructie van de chef, wordt gewerkt. Zoals eerder is overwogen in zijn uitspraken van

17 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1476 en van 3 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2088, gaat het hier om betrekkelijk eenvoudig productiewerk, waarbij slechts basale kennis van de Nederlandse taal wordt vereist. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 9 mei 2014 afdoende gemotiveerd dat de schriftelijke instructies zo eenvoudig zijn dat appellant deze moet kunnen begrijpen.

4.7.

Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E. Dijt en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) I. Mehagnoul

AP