Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
13/5319 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de uitoefening van zijn ambt, functie of werkzaamheden handelingen heeft verricht waardoor hij in strafrechtelijke zin als verdachte is aangemerkt. Appellant heeft verder tevergeefs aangevoerd dat, gelet op zijn situatie, de minister had moeten bezien of hij op andere gronden dan die neergelegd in de Regeling aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp. Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5319 MAW

Datum uitspraak: 29 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
18 september 2013, 13/3816 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. Diekstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.D.W. Martens, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Koster.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee. Hij bekleedde sinds november 2010 de functie van [naam functie A] en [naam functie B] op de afdeling [naam afdeling].

1.2.

Op 19 september 2012 heeft E aangifte bij de politie gedaan van verkrachting door appellant op [B]. Het Openbaar Ministerie is daarna een strafrechtelijk onderzoek gestart. De strafzaak is uiteindelijk geseponeerd.

1.3.

Bij rekest van 3 oktober 2012 heeft appellant de minister verzocht om vergoeding van de kosten van rechtskundige hulp die hij naar aanleiding van de tegen hem gedane aangifte heeft gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 26 oktober 2012 heeft de minister dit verzoek afgewezen, omdat de grondslag van het tegen appellant gerichte strafrechtelijk onderzoek niet was gelegen in handelingen die hebben plaatsgevonden of zijn nagelaten in de uitoefening van het ambt, de functie of de werkzaamheden van appellant en daarom niet is voldaan aan de voorwaarden van de Regeling tegemoetkoming kosten rechtskundige hulp (Regeling).

1.5.

Bij besluit van 4 april 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vanwege een bevoegdheidsgebrek vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen - samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang - dat de minister op goede gronden heeft geoordeeld dat appellant niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling is deze regeling van toepassing op gevallen waarin een werknemer in de uitoefening van zijn ambt, functie of werkzaamheden handelingen heeft verricht of nagelaten, of overheidsgezag heeft uitgeoefend of heeft nagelaten overheidsgezag uit te oefenen, waardoor het Ministerie van Defensie dan wel een van zijn dienstonderdelen, of de betrokken werknemer als exponent van het Ministerie van Defensie in strafrechtelijke zin als verdachte is aangemerkt.

4.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de uitoefening van zijn ambt, functie of werkzaamheden handelingen heeft verricht waardoor hij in strafrechtelijke zin als verdachte is aangemerkt. Appellant heeft E, nadat hij eerst met haar in het casino had verbleven, in de bewuste nacht meegenomen naar zijn privéwoning, alwaar zij bij hem is blijven slapen. In het kader van deze privéaangelegenheid heeft E appellant beschuldigd van verkrachting. De enkele omstandigheid dat appellant zich bij wijze van piketdienst gedurende die nacht beschikbaar moest houden, is, anders dan appellant heeft aangevoerd, geen reden om aan te nemen dat hetgeen waarvan hij werd verdacht heeft plaatsgevonden in de uitoefening van zijn functie. De stelling van appellant dat E in de periode voorafgaand aan de vermeende handelingen door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee is aangehouden toen zij met een vals paspoort poogde uit te reizen en dat E vanwege die aanhouding met haar aangifte van verkrachting druk wilde uitoefenen dan wel wraak wilde nemen op hem als leidinggevend functionaris van de Koninklijke Marechaussee, slaagt niet, reeds omdat deze stelling slechts op speculaties berust.
4.3. Appellant heeft verder tevergeefs aangevoerd dat, gelet op zijn situatie, de minister had moeten bezien of hij op andere gronden dan die neergelegd in de Regeling aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

4.4.

Appellant heeft zich ten slotte beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daartoe gewezen op de uitspraak van de militaire strafkamer van de rechtbank Arnhem van 22 april 2011 (ECLI:NL:RBARN:2011:BQ2163) en gesteld dat de minister in die zaak wel de kosten van rechtskundige hulp aan betrokkene heeft vergoed. Dit beroep slaagt niet om de volgende redenen. De minister heeft ter zitting van de Raad verklaard dat in de door appellant genoemde zaak de kosten van rechtskundige hulp zijn vergoed op basis van een op hoog niveau gedane toezegging aan betrokkene en dat de vergoeding in die zaak achteraf als een fout is bestempeld. In het geval van appellant was van zo’n toezegging geen sprake. Verder is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR3684) dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat het bestuursorgaan gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te herhalen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.W. Munneke

HD