Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
14/4401 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De toezending van het advies van de bezwaarschriftencommissie tegelijk met de beslissing op het bezwaar van het college is conform Artikel 7:13, zevende lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak staat het ontbreken van een systematische beoordeling van het functioneren van appellante op zichzelf niet in de weg aan een ontslag wegens ongeschiktheid. Het college heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante de geschiktheid miste voor de functie van docent. In de loop der jaren is zij meermalen op haar tekortschieten gewezen, haar is coaching en begeleiding aangeboden om zich te kunnen verbeteren en toen is vastgesteld dat zij nog steeds niet op niveau presteerde, was het college bevoegd appellante wegens ongeschiktheid te ontslaan. Voor het uitvoeren van een herplaatsingsonderzoek bestaat in dit geval geen wettelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/381
TAR 2016/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4401 AW

Datum uitspraak: 29 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 juni 2014, 13/900 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van bestuur van de Openbaar Onderwijs Groep Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Schlepers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. G.W. Brouwer, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Schlepers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer en B. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante werkte sedert 1996 als docent bij het [naam college]. Aanvankelijk was zij in dienst bij de gemeente Groningen, vanaf 1 januari 2010 is zij door het college aangesteld.

1.2.

In 2009 heeft appellante coaching ontvangen om haar functioneren te verbeteren. Op

13 oktober 2009 heeft de vestigingsdirecteur B een les van appellante bezocht waarover hij tevreden was. De les van appellante die B op 8 juni 2010 heeft bezocht, was volgens hem een minder goede les. Afgesproken is dat appellante collegiale begeleiding zou krijgen. De vestigingsdirecteur H heeft op 4 april 2011 een les van appellante bezocht. In een gesprek op 20 september 2011 heeft B appellante laten weten dat hij en H hebben waargenomen dat appellante moeite heeft een constante kwaliteit in haar lessen te leveren. B heeft te kennen gegeven dat een begeleidings- en beoordelingstraject wordt gestart waarbij appellante coaching wordt aangeboden. Op 6 oktober 2011 heeft appellante met de coach S besproken dat het doel van de coaching is het leveren van een constante kwaliteit van de lessen, waarbij aandacht wordt besteed aan klassenmanagement en didactiek. In de periode van november 2011 tot en met mei 2012 heeft S op drie dagen telkens twee lessen van appellante bezocht. Op 31 mei 2012 heeft B twee lessen van appellante bezocht en laten weten dat hij onvoldoende blijvende progressie heeft gezien. In april en mei 2012 is bij een aantal klassen waaraan appellante lesgaf, een leerlingenenquête afgenomen.

1.3.

Na een voornemen te hebben uitgebracht waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, heeft het college haar bij besluit van 11 maart 2013 met ingang van 15 maart 2013 ontslagen wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor het vervullen van haar functie als docent op grond van artikel 9.b.3, aanhef en onder 7, van de Collectieve arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs 2011/2012 (CAO). Aan het ontslag ligt ten grondslag dat appellante als docent tekortschiet omdat zij de leerstof niet kan overdragen, geen contact heeft met de kinderen, geen orde kan houden, niet controleert of het huiswerk is gemaakt, proefwerken niet tijdig nakijkt en kinderen voortijdig uit de lessen laat vertrekken.

1.4.

Bij besluit van 10 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het advies van de Commissie bezwaarschriften van de Openbaar Onderwijs Groep Groningen (bezwaarschriftencommissie) overgenomen en het bezwaar van appellante tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de bezwaarschriftencommissie niet onafhankelijk was.

4.1.2.

Niet gebleken is dat de advisering van de bezwaarschriftencommissie niet in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat de bezwaarschriftencommissie heeft geweigerd appellante het advies toe te sturen tegelijk met het aanbieden van het advies aan het college, is daarvoor onvoldoende. Artikel 7:13, zevende lid, van de Awb gaat immers ook uit van een toezending van het advies tegelijk met de beslissing op het bezwaar. Voor de conclusie dat het college het bestreden besluit niet heeft mogen baseren op het advies van de bezwaarschriftencommissie bestaat dan ook geen grond.

4.2.1.

Appellante heeft verder aangevoerd dat vanwege het ontbreken van een beoordelingssystematiek sprake is van willekeur en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het functioneren van appellante voldoende uitvoerig en op systematische wijze heeft beoordeeld.

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1224) moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Deze concrete gedragingen kunnen ook blijken uit andere omstandigheden dan uit een vastgestelde beoordeling (zie de uitspraak van 1 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8841). Het ontbreken van een systematische beoordeling van het functioneren van appellante staat op zichzelf dan ook niet in de weg aan een ontslag wegens ongeschiktheid.

4.2.3.

Hoewel de verslaglegging van het functionerings- en beoordelingstraject van appellante voor verbetering vatbaar is, zoals van de kant van het college ter zitting van de Raad ook is erkend, is niet gebleken dat het voor appellante niet duidelijk was waarin zij tekortschoot en welke verbeteringen in het functioneren van haar werden verwacht. In de, ook door appellante ondertekende, verslagen van de lesbezoeken van B in 2009 en 2010 zijn meerdere tips en verbeterpunten opgenomen. In het gesprek van 20 september 2011 naar aanleiding van de lesbezoeken heeft appellante laten weten dat zij de kritiek herkent dat zij moeite heeft om een constante kwaliteit in haar lessen te handhaven. Appellante realiseerde zich dus dat zij in haar functioneren als docent tekortkomingen vertoonde. In het gesprek met de coach op 6 oktober 2011 heeft dit tot afspraken over de doelstelling van de coaching geleid.

4.2.4.

Met de overgelegde verslagen van de lesbezoeken in het schooljaar 2011/2012 heeft het college voldoende aangetoond dat appellante geen orde kon houden in de klas, onvoldoende aandacht besteedde aan het gemaakte huiswerk en over onvoldoende didactische vaardigheden beschikte. De uitkomsten van de leerlingenenquête laten daarvan een bevestiging zien. Het college heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante de geschiktheid miste voor de functie van docent. Nadat appellante in de loop der jaren meermalen op haar tekortschieten was gewezen, haar coaching en begeleiding was aangeboden om zich te kunnen verbeteren en is vastgesteld dat zij nog steeds niet op niveau presteerde, was het college bevoegd appellante wegens ongeschiktheid te ontslaan. Dat de coaching van appellante in het schooljaar 2011/2012 niet zinvol is geweest, omdat het niet klikte tussen haar en S, zoals appellante heeft aangevoerd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellante dit op enig moment bij S of het college aan de orde heeft gesteld.

4.3.1.

Appellante heeft voorts naar voren gebracht dat het college een herplaatsingsonderzoek had moeten uitvoeren en onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke belangen.

4.3.2.

Voor het uitvoeren van een herplaatsingsonderzoek bestaat in dit geval geen wettelijke grondslag. Gelet op de langdurige periode waarin het college appellante de gelegenheid heeft geboden haar functioneren te verbeteren, zijn in de lengte van haar dienstverband geen bijzondere omstandigheden gelegen om een verplichting tot het ondernemen van herplaatsingspogingen aan te nemen. Met de rechtbank ziet de Raad in de overige door appellante naar voren gebrachte omstandigheden geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2015.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD