Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
14-1559 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand omdat appellant meer uren gewerkt zou hebben dan opgegeven. Werkzaam bij aanwezigheid op werkplek gaat niet op. Toegangsregistratie.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/2030
JWWB 2015/219
USZ 2015/387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1559 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

5 februari 2014, 12/4167 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.E. Kolthof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kolthof en W. Woning als tolk. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Het onderzoek is na de zitting heropend omdat het onderzoek niet volledig was.

Het college heeft desgevraagd een nadere reactie ingezonden, waarop appellant heeft gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 3 juni 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Appellant is sinds juni 2009 in deeltijd voor 20 uur per week in dienst bij [naam werkgever] (werkgever), gevestigd op het terrein van het [FCA] ([FCA]). De volgens opgave van appellant genoten inkomsten worden in mindering gebracht op de bijstand.

1.3.

In het kader van het “Project Partiële Inkomsten West” heeft een handhavingsspecialist van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam, werkzaam bij de afdeling Controle, een onderzoek ingesteld naar de inkomsten van appellant. In dat kader is onder meer informatie opgevraagd bij het [FCA] en appellant op 24 januari 2012 en 20 maart 2012 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 april 2012.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

20 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juli 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellant en zijn echtgenote met ingang van 1 oktober 2011 in te trekken op de grond dat uit de toegangsregistratie van het [FCA] is gebleken dat appellant voor meer uren dan waren opgegeven op geld waardeerbare arbeid heeft verricht en derhalve de op hem rustende inlichtingverplichting heeft geschonden. Hierdoor bestaat onzekerheid over de precieze omvang van zijn werkzaamheden en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 1 oktober 2011 tot en met 20 april 2012.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de toegangsregistratie van het [FCA] een toereikende grondslag biedt voor het standpunt van het college dat appellant in de hier te beoordelen periode meer uren bij zijn werkgever heeft gewerkt dan de door hem opgegeven uren die overeenkomen met de door zijn werkgever bijgehouden urenregistratie (urenregistratie).

4.4.

Vaststaat dat op het terrein van het [FCA], waar de werkgever van appellant is gevestigd, verscheidene andere bedrijven gevestigd zijn. Appellant heeft aangevoerd dat hij, nadat hij zijn werkzaamheden had afgerond, vaak nog voor onder meer een kop koffie langsging bij andere werknemers die elders op het terrein bij andere bedrijven dan zijn werkgever werkzaam waren. Ook kwam het voor dat appellant voor aanvang van zijn werkzaamheden aanwezig was op het bedrijventerrein, omdat hij meereed met een collega. Voor zover hij soms langer op het bedrijventerrein aanwezig was dan uit de urenregistratie blijkt, betekent dat volgens appellant dan ook niet dat hij gedurende die meer uren ook werkzaam was voor zijn werkgever. De rechtbank heeft dit niet aannemelijk geacht onder verwijzing naar vaste rechtspraak waaruit volgt dat de aanwezigheid van een belanghebbende tijdens reguliere arbeidstijden op een bestaande werkplek in een bedrijf de vooronderstelling rechtvaardigt dat deze daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht (uitspraak van 3 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1947). Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden gaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, deze vooronderstelling in het geval van appellant niet op. Geen aanleiding bestaat deze vooronderstelling ruim uit te leggen. De aanwezigheid van appellant bij andere bedrijven op het bedrijventerrein dan bij zijn werkgever kan derhalve niet worden gelijkgesteld met een verblijf op de werkplek in vorenbedoelde zin. Nu het college verder niet heeft onderzocht, bijvoorbeeld aan de hand van waarnemingen, of appellant zich tijdens reguliere werktijden op zijn eigen werkplek bevond, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellant gedurende die meer uren op geld waardeerbare werkzaamheden voor zijn werkgever heeft verricht. Reeds daarom biedt de toegangsregistratie een ontoereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant gedurende meer uren dan waren opgegeven op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht bij zijn werkgever.

4.5.

Daar komt bij dat, zoals appellant heeft aangevoerd, de regels met betrekking tot het in- en uitchecken van het terrein van het [FCA] niet strikt worden nageleefd. Appellant heeft onder meer meegedeeld dat hij zijn toegangspas wel in de bedrijfsauto laat liggen en dat zijn pas ook door anderen wordt gebruikt, dat men elkaars toegangspassen gebruikt en dat daar bij het [FCA] geen controle op is. Gelet op de door appellant ter zitting gegeven toelichting op het gebruik van de toegangspassen is het niet onaannemelijk dat personen zonder pas of met een pas van anderen het terrein van [FCA] kunnen betreden. Dat dit niet geoorloofd is en niet in overeenstemming is met het marktreglement, zoals een medewerker van het [FCA] telefonisch aan het college heeft medegedeeld, doet aan de feitelijke gang van zaken zoals door appellant geschetst niet af. Overigens, ook volgens de medewerker van het [FCA] kan het voorkomen dat niet wordt uitgecheckt als een medewerker met een collega naar huis rijdt. Dat collega’s met elkaar meereden in de bedrijfsauto was volgens appellant gebruikelijk.

4.6.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met

artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Tevens bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 20 april 2012 te herroepen nu dit besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar van appellant en in zijn proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en

€ 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 juli 2012;

- herroept het besluit van 20 april 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 10 juli 2012;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 164,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. ter Brugge en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD