Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
13/493 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om ondersteuning bij werk en inkomen. Appellant kan niet als jonggehandicapte in de zin van de Wet Wajong worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/493 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

13 december 2012, 11/5110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Spooren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2015. Appellante is in persoon verschenen en bijgestaan door mr. B.W.M. Toemen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. Tevens was als tolk H.B. Bounaija aanwezig.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is [in] 1992 geboren in Marokko. Zij heeft op 11 augustus 2009 een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd, die bij beschikking van 29 oktober 2009 is afgewezen. Na bezwaar is die beschikking bij besluit van 9 september 2010 herroepen en is bepaald dat geen beletsel meer bestond voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf aan appellante. In maart 2011 is zij naar Nederland gekomen en op 24 maart 2011 is zij in het bevolkingsregister ingeschreven.

2. Op 6 juni 2011 heeft appellante een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend bij het Uwv om ondersteuning bij werk en inkomen. Bij besluit van 9 juni 2011 is de aanvraag afgewezen. Daarbij is overwogen dat appellante op haar zeventiende verjaardag niet in Nederland woonde. Bij beslissing op bezwaar van 19 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 juni 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij onder verwijzing naar de artikelen 1:2 en 3:11 van de Wet Wajong overwogen dat appellante pas na haar zeventiende jaar in Nederland is komen wonen en dat er dan geen ruimte is om af te wijken van het beleid dat blijvend buiten aanmerking wordt gelaten de arbeidsongeschiktheid van de jonggehandicapte die niet gedurende zes jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij zeventien jaar wordt, ingezetene is geweest.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat een onjuiste motivering aan het besluit ten grondslag is gelegd. Nu appellante haar aanvraag na 1 januari 2010 heeft ingediend, moet naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag van appellante niet aan hoofdstuk 3, maar aan hoofdstuk 2 van de Wet Wajong worden getoetst. Daartoe heeft de rechtbank verwezen naar het bepaalde in de artikelen 2:15, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 3:6, eerste lid, van de Wet Wajong. De rechtbank heeft om die reden het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank reden gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat overeenkomstig het ter zitting ingenomen standpunt van het Uwv appellante geen ingezetene was op haar zeventiende verjaardag, maar eerst in maart 2011 ingezetene in de zin van de Wet Wajong is geworden.

4. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij voor haar zeventiende verjaardag reeds een machtiging tot voorlopig verblijf had aangevraagd, waarop aanvankelijk afwijzend is beslist. Daarom was het voor haar niet mogelijk om zich eerder in Nederland te vestigen. Zij meent daarom dat sprake is van een dusdanig uitzonderlijke situatie dat een uitzondering op de Wet Wajong gerechtvaardigd is. Ter zitting in hoger beroep is namens appellante nog met een beroep op een uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012

(ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908) aangevoerd dat niet alleen het “ingezetenschap sec”, maar ook de banden met Nederland bij de beoordeling van het ingezetenschap moeten worden betrokken.

5.1.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep zich uitsluitend richt tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten zijn. Daarom is niet in geschil dat appellante op 6 juli 2011 een aanvraag op grond van de Wet Wajong heeft ingediend, zodat de aanvraag van appellante beoordeeld dient te worden aan de hand van de bepalingen in hoofdstuk 2 van de Wet Wajong. Partijen worden echter verdeeld gehouden door de vraag of appellante op haar zeventiende verjaardag als ingezetene in de zin van de Wet Wajong dient te worden aangemerkt, althans daarmee dient te worden gelijkgesteld. Daarover komt de Raad tot de volgende beoordeling.

5.2.

Ingevolge artikel 2:3, eerste lid aanhef en onder a, van de Wet Wajong is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar zal herstellen. In artikel 1:2 van de Wet Wajong is voorts bepaald dat ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen de natuurlijke persoon is persoon die in Nederland woont. Op grond van het bepaalde in artikel 1:2, tweede lid, van de Wet Wajong is in het Besluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen Wet Wajong

(het Besluit) een nadere regeling gegeven. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Wet Wajong naar de omstandigheden beoordeeld. In zijn onder

4 genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat het bij de beoordeling van ingezetenschap erop aankomt of de omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt dat de wetgever geen bijzondere betekenis toegekend heeft aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land.

5.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante op de dag dat zij zeventien jaar oud werd (5 mei 2009), niet als ingezetene van Nederland in de zin van de in 5.2 genoemde regelgeving kan worden beschouwd. De omstandigheden van appellante zijn niet zodanig dat op 5 mei 2009 van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland sprake was. Zij woonde toen met haar moeder in Marokko en is eerst in maart 2011 naar Nederland gekomen. Het feit dat haar vader toen reeds in Nederland was en zij wellicht al geruime tijd de intentie had ook naar Nederland te komen, vormt onvoldoende reden om aan te nemen dat er in het geval van appellante een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland bestond. Andere relevante omstandigheden zijn - ook ter zitting van de Raad - niet gesteld of gebleken. Hieruit volgt dat de Raad evenals de rechtbank ervan uit gaat dat appellante eerst in maart 2011 ingezetene in de zin van de Wet Wajong is geworden.

5.4.

Het onder 5.3 overwogene betekent dat in dit geding nog de vraag resteert of sprake is van een zo uitzonderlijke situatie dat in strijd met de geldende regelgeving toch aangenomen zou moeten worden dat appellante op haar zeventiende jaar ingezetene was, althans aanspraak zou kunnen maken op een uitkering krachtens de Wet Wajong. In dat verband is namens appellante een beroep gedaan op haar aanvraag voor een machtiging voorlopig verblijf. Anders dan door appellante is gesteld, is die aanvraag voor een machtiging voorlopig verblijf echter niet voor haar zeventiende verjaardag (5 mei 2009), maar eerst daarna - namelijk op

11 augustus 2009 - aangevraagd; dit is ook door gemachtigde van appellante ter zitting erkend. Daarom kan niet gezegd worden - zoals gemachtigde van appellant kennelijk beoogt te betogen - dat zij als gevolg van niet aan haar toe te rekenen factoren ongewild op haar zeventiende verjaardag geen ingezetene was. Reeds om die reden faalt het beroep van appellante op een uitzonderlijke situatie. Voorts ontbreekt in het betoog van appellant iedere onderbouwing van de juridische gronden van nationale of internationale aard op basis waarvan de hierboven genoemde bepalingen uit de Wet Wajong en het daarop gebaseerde Besluit in dit geval terzijde gesteld zouden dienen te worden.

5.5.

Het hiervoor onder 5.1 tot en met 5.4 overwogene leidt tot de conclusie dat appellant niet als jonggehandicapte in de zin van de Wet Wajong kan worden aangemerkt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak met enige aanvulling van gronden bevestigd dient te worden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en H. van Leeuwen en

L. Koper als leden in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2015.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) H.J. Dekker

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

AP