Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
14/6487 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb naar voren gebracht. Verzoeker trekt met zijn stelling over zijn nog steeds bestaande arbeidsongeschiktheid en voortdurende medische behandeling in wezen de juistheid van de uitspraak van 23 maart 2012 in twijfel. Naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1945, en 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Daarvoor is het bijzondere rechtsmiddel echter, gelet op het vorenstaande, niet bedoeld. Het verzoek om herziening zal daarom worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6487 WAO

Datum uitspraak: 28 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9973

Partijen:

[verzoeker] te Marokko (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend van de door de Raad op 23 maart 2012 tussen partijen gewezen uitspraak.

Het Uwv heeft meegedeeld ter zake van het verzoek geen op- of aanmerkingen te hebben.

Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14 oktober 2015. Partijen zijn daar niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij de uitspraak, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad onder meer beslist dat verzoeker geen recht had op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, omdat verzoeker op 15 januari 1991 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Twee eerdere verzoeken van 17 april 2012 en 8 januari 2014 om herziening van de uitspraak van 23 maart 2012 zijn door de Raad niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker het verschuldigde griffierecht niet tijdig had betaald.

1.2.

Verzoeker heeft bij brief van 10 november 2014 opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van 23 maart 2012.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Wab) in werking getreden. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wab blijft het recht zoals dit gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op een verzoek om herziening van een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak.

2.2.

Op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, zoals die artikelen luidden tot 1 januari 2013, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak.

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.3.

Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening gesteld “je me trouve invalide et sous les traitements medicaux”. Deze stelling is verder niet toegelicht en ook niet met medische gegevens onderbouwd.

2.4.

Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb naar voren gebracht. Verzoeker trekt met zijn stelling over zijn nog steeds bestaande arbeidsongeschiktheid en voortdurende medische behandeling in wezen de juistheid van de uitspraak van 23 maart 2012 in twijfel. Naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1945, en 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Daarvoor is het bijzondere rechtsmiddel echter, gelet op het vorenstaande, niet bedoeld. Het verzoek om herziening zal daarom worden afgewezen.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.I. van der Kris en

L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) M.S.E.S. Umans

AP

DĒCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) rejète la demande de révision.

Par conséquent, décidée par G.A.J. van den Hurk, A.I. van der Kris et L. Koper, en présence de M.S.E.S. Umans en qualité de greffier, ansi que prononcé en public, le 28 octobre 2015.