Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3734

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
14/3136 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:3290, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen bankrekening. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3136 WWB

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2014, 13/509 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.W.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2015. Namens appellante is mr. Jansen verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante woonde in Suriname met haar toenmalige echtgenoot. Zij is op 11 december 2011 met haar kinderen teruggekeerd naar Nederland, waar zij tijdelijk bij haar moeder in [plaatsnaam 1] is gaan wonen. Op 1 juni 2012 is appellante verhuisd naar [woonplaats] .

1.2.

Appellante ontving sinds 12 december 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.3.

Bij besluit van 2 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 december 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aan appellante verstrekte bijstand met ingang van 12 december 2011 ingetrokken en de over de periode van 12 december 2011 tot en met

30 juni 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.872,23 van haar teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante, door bij haar aanvraag geen melding te maken van een op haar naam staande betaalrekening bij de ING Bank en een daaraan gekoppelde spaarrekening, haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Op deze bankrekening had appellante op 31 december 2010 een saldo van € 14.800,-. Dit bedrag ligt boven de voor appellante geldende vermogensgrens. Uit de door appellante in bezwaar overgelegde bankafschriften over de periode van 1 december 2011 tot en met 30 juni 2012 is gebleken dat appellante in 2011 vrijwel dit gehele bedrag heeft onttrokken aan haar bankrekeningen. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij niet langer over dit vermogen kon beschikken. Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij bij haar aanvraag niet op de hoogte was van het (nog steeds) bestaan van de bankrekeningen. Zij heeft de inlichtingenverplichting dan ook niet geschonden. Uit de bankafschriften blijkt dat de bankrekeningen slechts door haar toenmalige echtgenoot werden gebruikt. Het recht op bijstand kon daarom wel worden vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante op 1 juni 2012 is verhuisd naar [woonplaats] , zodat zij vanaf die datum niet langer recht op bijstand jegens het college had. In geschil is de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode vanaf 12 december 2011, de datum van intrekking van de bijstand, tot en met 31 mei 2012, de laatste dag dat appellante in [plaatsnaam 1] woonachtig was.

4.2.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij haar bijstandsaanvraag niet op de hoogte was van de beide bankrekeningen. De betaalrekening en de hieraan gekoppelde spaarrekening stonden uitsluitend op naam van appellante. Zij heeft erkend deze bankrekeningen ooit te hebben geopend en daarvan gebruik te hebben gemaakt. Uit een door appellante in beroep overgelegde brief van ING Bank N.V. van 11 juli 2013 blijkt dat de bankafschriften in 2011 op naam van appellante zijn verstuurd naar het adres van de moeder van appellante, waar appellante vanaf 12 december 2011 verbleef. Ook de tot de gedingstukken behorende oorspronkelijke bankafschriften en de vervangende exemplaren vermelden dit adres. Het is daarom niet aannemelijk dat appellante ten tijde van de aanvraag om bijstand geen kennis heeft genomen van deze aan haar persoonlijk gerichte bankafschriften.

4.3.

Nu appellante het bestaan van de bankrekeningen en de daarop staande tegoeden niet aan het college heeft gemeld, en het hier gaat om gegevens waarvan het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze van invloed waren op het recht op bijstand, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4.

Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. Er is dan geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Appellante heeft in beroep afschriften van de betaalrekening en van de spaarrekening over de periode van 17 december 2010 tot en met 30 november 2011 overgelegd. Uit deze afschriften blijkt weliswaar dat het salaris van haar toenmalige echtgenoot op die rekening is gestort, maar blijkt ook dat in deze periode meermaals grote bedragen zijn overgeboekt van de spaarrekening naar de betaalrekening en dat van de betaalrekening meermaals grote bedragen zijn overgeboekt of opgenomen, onder andere via [naam BV] te [plaatsnaam 2] . Niet valt uit te sluiten dat deze bedragen ten goede zijn gekomen aan appellante en dat zij hierover ten tijde van haar aanvraag en daarna kon beschikken. Dat deze bedragen uitsluitend ten goede zijn gekomen aan haar toenmalige echtgenoot blijkt in ieder geval niet uit de bankafschriften. Ook bestaan, zoals het college in zijn brief van 29 juli 2013 aan de rechtbank terecht heeft opgemerkt, onverklaarbare discrepanties tussen de mutaties op de afschriften van de betaalrekening en de mutaties op de aan deze rekening gekoppelde spaarrekening. Appellante heeft hierover geen duidelijkheid verschaft. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante het recht op bijstand in de periode van 12 december 2011 tot en met 31 mei 2012 niet kon worden vastgesteld.

4.6.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.M. Fleuren

HD