Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
14/709 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor schuld. geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/709 WWB

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 december 2013, 13/5777 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.W. Lagraauw, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lagraauw. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 25 februari 2013 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor doorbetaling van de huur tijdens haar detentie. Appellante was gedetineerd van 19 oktober 2012 tot 19 februari 2013.

1.2.

Bij besluit van 27 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juni 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen omdat de zoon van appellante de huur had voldaan, zodat in het gevraagde reeds was voorzien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB, geoordeeld dat bijzondere bijstand voor de aflossing van een schuld niet mogelijk is. Van een situatie als bedoeld in artikel 49 van de WWB is niet gebleken.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van

artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB bijzondere bijstand voor schulden te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.

4.2.

Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd op het moment van de aanvraag reeds door haar zoon waren voldaan. Appellante wil met de gevraagde bijzondere bijstand de schuld aan haar zoon terugbetalen. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB zich hiertegen verzet.

4.3.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat van een eerder beoordelingsmoment dan 25 februari 2013 moet worden uitgegaan, te weten de datum van haar eerdere aanvraag. Deze eerdere aanvraag, die op 4 januari 2013 door het college is ontvangen, is volgens appellante ten onrechte niet in behandeling genomen. Deze grond slaagt niet. Het college heeft appellante bij brief van 22 januari 2013 meegedeeld dat het de aanvraag van 4 januari 2013 nog niet in behandeling kon nemen omdat zij het aanvraagformulier niet volledig had ingevuld en bewijsstukken ontbraken. In de brief van 22 januari 2013 heeft het college uitgelegd dat appellante, indien zij de aanvraag alsnog wil indienen, het formulier geheel dient in te vullen en bewijsstukken dient bij te sluiten. Vaststaat dat appellante van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Dat het college de betreffende brief naar het huisadres van appellante heeft verzonden terwijl zij zich op dat moment nog in detentie bevond, doet hier niet aan af. In de brief van 22 januari 2013 staat namelijk geen uiterste termijn, zodat appellante ook bij thuiskomst op 19 februari 2013 nog de mogelijkheid had om de aanvraag van 4 januari 2013 aan te vullen. Het ter zitting door appellante ingenomen standpunt dat het college haar heeft afgehouden van het doorzetten van de aanvraag van

4 januari 2013 en heeft aangezet tot het indienen van een nieuwe aanvraag, heeft appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.

4.4.

Wat appellante heeft aangevoerd biedt ten slotte geen aanknopingspunten om te oordelen dat in haar geval sprake is geweest van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 14 augustus 2012, ECLI:CRVB:NL:2012:BX4569) doen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB zich voor indien sprake is van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening volstrekt onvermijdelijk is. Daarvan is in het geval van appellante ten tijde in geding geen sprake geweest.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C. Moustaïne

HD