Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
14-1826 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:1140, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand omdat appellant niet woonachtig is in de gemeente. Rapport is niet op ambtseed opgemaakt. Beëindiging in verband met scholingsmogelijkheid. Het college had appellant niet eerst intensiever moeten begeleiden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 13
Wet werk en bijstand 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/405 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1826 WWB, 14/1827 WWB

Datum uitspraak: 26 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 februari 2014, 13/4401 en 13/4402 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. van Bremen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Bremen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.W. Wieringa.

De Raad heeft het onderzoek heropend voor het stellen van nadere vragen aan het college. Het college heeft de vragen beantwoord en nadere stukken aan de Raad gezonden. Namens appellant heeft mr. Van Bremen hierop gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 2 april 2012 tot en met 1 juli 2012 en vanaf 13 juli 2012 naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%, onder aftrek van inkomsten.

1.2.

Appellant huurt vanaf 30 maart 2012 de woning [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Naar aanleiding van een bericht van de verhuurder van de woning van

14 augustus 2012 dat de huurbetalingen vanaf een adres in [plaatsnaam] worden gedaan en dat omwonenden hem hebben meegedeeld dat appellant de woning op het uitkeringsadres niet zelf bewoont, heeft het Regionaal Opsporingsteam Sociale Recherche (SR) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de SR inlichtingen ingewonnen bij derden, op 28 en 30 augustus 2012, 5 september 2012 en

11 oktober 2012 huisbezoeken aan het uitkeringsadres afgelegd, op 5 september 2012 een gesprek met appellant gevoerd op het gemeentehuis van Barendrecht en waarnemingen nabij het uitkeringsadres verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 oktober 2012.

1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van

31 oktober 2012 de bijstand van appellant over de periode van 2 april 2012 tot en met 1 juli 2012 en van 13 juli 2012 tot 1 september 2012 in te trekken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant in die periodes niet woonachtig is geweest op het uitkeringsadres en daarom geen recht had op bijstand in [woonplaats] (artikel 40, eerste lid, van de WWB) en dat appellant daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college, zodat hij niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Bij dit besluit heeft het college aan appellant tevens een maatregel tot verlaging van de bijstand opgelegd.

1.4.

Bij besluit van 3 juni 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2012 ongegrond verklaard.

1.5.

Bij besluit van 5 september 2012 heeft het college appellant meegedeeld dat per 1 juli 2012 voor hem de wettelijke scholingsplicht geldt en dat dit met zich brengt dat, indien hij nog een opleiding kan volgen met studiefinanciering of een zogeheten WTOS-toelage, hij dan geen recht meer heeft op bijstand. Daarbij heeft het college appellant tevens bericht voornemens te zijn de bijstand per 1 februari 2013 te beëindigen, tenzij hij voldoet aan bepaalde, in het besluit genoemde, eisen. Op 4 december 2012 is deze mededeling herhaald. Bij besluit van 23 januari 2013 heeft het college de bijstand van appellant beëindigd op de grond dat voor hem de scholingsplicht geldt en dat hij in staat is een opleiding te volgen waarvoor hij aanspraak kan maken op studiefinanciering, die als een passende en toereikende voorziening voor appellant wordt aangemerkt.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van 3 juni 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat geen zelfstandige gronden zijn gericht tegen de maatregel en heeft haar beoordeling daarom beperkt tot de intrekking en de beëindiging van de bijstand.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1.

Het geschil in hoger beroep beperkt zich tot de periode 2 april 2012 tot en met 1 juli 2012 (periode in geding).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Het college heeft zwaarwegende betekenis gehecht aan het in het rapport van de SR van 17 oktober 2012 neergelegde verslag van het gesprek van appellant met de SR dat is gevoerd op 5 september 2012. Daarin staat onder meer het volgende: “Client gaf aan dat hij, nadat de woning was opgeleverd, bij zijn moeder in [plaatsnaam] was blijven wonen”. Appellant heeft, evenals in beroep, naar voren gebracht dat de feitelijke situatie genuanceerder lag omdat hij zowel in zijn eigen woning als bij zijn moeder en zijn vriendin verbleef.

4.4.

Het college heeft, naar aanleiding van de heropening van de zaak, aan de Raad meegedeeld dat volgens de SR van een gesprek met een bijstandsgerechtigde altijd een verslag wordt opgemaakt, dat ook door de betrokkene wordt ondertekend, maar dat van het met appellant op 5 september 2012 gevoerde gesprek door omstandigheden geen afzonderlijk verslag aanwezig is. In dit geval is uitsluitend het door een van de twee betrokken sociaal rechercheurs ondertekende rapport voorhanden. Het rapport is niet op ambtseed opgemaakt. Uit het rapport blijkt niet dat wat appellant op 5 september 2012 heeft verklaard op enig moment aan hem is voorgelezen en evenmin is gebleken dat appellant een door de SR opgemaakte weergave van het gesprek heeft ondertekend. Het rapport is bovendien opgemaakt geruime tijd na het met appellant gevoerde gesprek. Gelet op de wijze van verslaglegging, het tijdstip waarop het rapport is opgemaakt en de gedeeltelijke betwisting van de inhoud van het gesprek, kan naar het oordeel van de Raad niet als vaststaand worden aangenomen dat de bewoordingen van het rapport een volledige en juiste weergave vormen van wat appellant tijdens het gesprek heeft verklaard. Het college en de rechtbank kunnen daarom niet worden gevolgd in hun conclusie dat appellant kan worden gehouden aan wat in het rapport als zijn verklaring is opgenomen.

4.5.

Het in 1.2 genoemde bericht van de zijde van de verhuurder van de woning op het uitkeringsadres bevat onvoldoende feitelijke gegevens over het gebruik van de woning op het uitkeringsadres waarop het bericht van de verhuurder is gebaseerd.

4.6.

De waarnemingen en de huisbezoeken hebben alle plaatsgevonden na 1 juli 2012, zodat aan de resultaten daarvan geen zelfstandige betekenis toekomt voor de periode in geding. Hetzelfde geldt voor de uitnodigingen van het college aan appellant om op gesprek te komen.

4.7.

Ten slotte bieden de omstandigheden dat appellant in de periode in geding niet heeft gepind in de gemeente [naam gemeente] en dat de bankafschriften van appellant nog steeds op een adres in [plaatsnaam] kwamen - bij gebreke van ander bewijs - onvoldoende ondersteuning voor het standpunt van het college dat appellant niet woonachtig was in de gemeente [naam gemeente] .

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de intrekking van de bijstand over de periode in geding niet berust op een deugdelijke grondslag. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

De beëindiging

4.9.

Appellant heeft aangevoerd dat het college bekend was met zijn psychische problemen en er daarom niet mee had mogen volstaan om hem op zijn scholingsplicht te wijzen. Door de psychische problemen van appellant kon hij zich moeilijk richten op een studie. Volgens appellant had het college hem, intensiever dan is gebeurd, moeten begeleiden bij het vinden van een studie en het verkrijgen van studiefinanciering. Appellant heeft zich in dit verband beroepen op het op de invoering van de scholingsplicht betrekking hebbende Kamerstuk 2010-2011, 32 815, nr. 7, in samenhang met de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2199.

4.10.

Deze beroepsgronden treffen geen doel.

4.10.1.

De rechtbank en het college hebben terecht aangenomen dat geen sprake was van zodanige psychische klachten dat appellant diende te worden ontheven van zijn scholingsplicht. Appellant heeft zijn standpunt dat dit anders was niet met objectieve gegevens onderbouwd. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad onvoldoende grond voor het oordeel dat het college de eventuele belemmeringen bij appellant bij het voldoen aan de scholingsplicht had moeten laten onderzoeken. De rechtbank en het college hebben bij de beoordeling van dit standpunt van appellant voorts terecht betrokken dat ten tijde van de beëindiging van de bijstand geen sprake was van (specialistische) behandeling van de psychische klachten.

4.10.2.

Het college heeft in het verweerschrift uiteengezet welke stappen vanaf augustus 2012 zijn gezet op het punt van - onder meer - de scholing van appellant. Appellant heeft die uiteenzetting niet in feitelijk opzicht bestreden. Evenmin heeft hij betwist dat hij zelf bij het college heeft gemeld dat hij zich zou inschrijven bij een door het scholingsinstituut [naam scholingsinstituut] verzorgde opleiding. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij hiertoe niet zelf in staat was.

4.10.3.

Bij de invoering van de scholingsplicht is de wetgever uitgegaan van de eigen verantwoordelijkheid van de jongere tot 27 jaar. Dat staat tussen partijen niet ter discussie. Het feit dat, zoals appellant heeft aangevoerd, in dit geval sprake is van een belastend besluit doet daaraan op zichzelf niet af. Wel zal het college bij een beëindiging van de bijstand moeten bezien, indien daarvoor op grond van de omstandigheden van het geval aanleiding bestaat, of zodanige belemmeringen voor de invulling van die verantwoordelijkheid bestaan dat beëindiging van de bijstand nog niet aangewezen is. Gelet op 4.10.1 en 4.10.2 volgt de Raad appellant niet in zijn standpunt dat het college hem eerst intensiever had moeten begeleiden. De omstandigheden van deze zaak zijn anders dan die van de uitspraak waarop appellant zich heeft beroepen (zie 4.9).

4.11.

Uit 4.10 tot en met 4.10.3 volgt dat bestreden besluit 2 in stand kan blijven. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit terecht ongegrond verklaard.

Conclusie

5. Gelet op 4.8 dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad dat beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit 1 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het betreft de intrekking over de periode in geding. Aangezien door het tijdsverloop niet aannemelijk is dat het gebrek in bestreden besluit 1 kan worden hersteld, zal de Raad het besluit van 31 oktober 2012 in zoverre herroepen en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit 1. De aangevallen uitspraak zal voor zover het betreft bestreden besluit 2 worden bevestigd.

6. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant met betrekking tot bestreden besluit 1. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, op

€ 980,- in beroep en op € 1.225,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 3.185,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1

ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond;

- vernietigt bestreden besluit 1 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de

periode van 2 april 2012 tot en met 1 juli 2012, herroept het besluit van 31 oktober 2012 in

zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde

gedeelte van bestreden besluit 1;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.185,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep ten aanzien van bestreden besluit 1 en in

hoger beroep door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.C.F. Talman en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD