Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
13-5779 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening besluit inhoudende weigering Wajong-uitkering. Het rapport van het MEE-onderzoek, kan niet worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv heeft ten onrechte de aanvraag van appellant niet tevens opgevat als betrekking hebbend op de periode na de aanvraag van de Wajong-uitkering. Het MEE-rapport bevat geen feiten waaruit de onjuistheid van het eerder genomen besluit kan worden afgeleid. Ook voor de toekomst had de aanvraag moeten worden afgewezen door het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5779 WWAJ

Datum uitspraak: 12 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 september 2013, 13/4011 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.C. Mourits, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is [in] 1987 geboren. Hij heeft op 28 mei 2010 een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Een verzekeringsarts van het Uwv heeft na onderzoek geconcludeerd dat appellant een lichte verstandelijke handicap heeft. Appellant heeft lichte beperkingen in de taakvaardigheid en is aangewezen op niveau 3 van begeleiding. Hij kan hulp gebruiken bij het verkrijgen van vast werk en om ervoor te zorgen dat het werk duurzaam wordt. Bij aanvang en verandering van werk is er meer instructie nodig dan normaal. Bij besluit van 4 augustus 2010 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet Wajong, omdat appellant niet aan de voorwaarden voldoet. Hij wordt in staat geacht te werken en daarmee meer dan 75% van het minimumloon te kunnen verdienen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Bij aanvraagformulier van 4 februari 2013 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht hem een Wajong-uitkering toe te kennen. Daarbij heeft appellant te kennen gegeven dat hij een verstandelijke beperking heeft en het niet voor elkaar krijgt om langdurig aan het werk te gaan en te blijven. Op de aanvraag van 4 februari 2013 is bij besluit van 11 februari 2013 afwijzend beslist op de aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontleende grond dat appellant bij zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld die tot het oordeel kunnen leiden dat het Wajong-besluit van

4 augustus 2010 onjuist is.

1.3.

Tegen het besluit van 11 februari 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft appellant zijn aanvraag onderbouwd met een rapport van een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd door MEE Midden-Holland van 11 februari 2013. Hij heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij een verstandelijke beperking heeft. Blijkens het MEE onderzoek wordt hem geadviseerd om zich onder begeleiding te laten plaatsen, omdat niet van hem kan worden verwacht dat hij zijn leven zelfstandig “op de rit” krijgt. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 9 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Voor de motivering van dit besluit heeft het Uwv verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 25 maart 2013. Daarin heeft deze arts geconcludeerd dat met de vermelde verstandelijke beperking bij de eerdere beoordeling al rekening is gehouden en dit geen nieuw medisch feit is.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bezwaar tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat blijkens het verzekeringsgeneeskundig rapport van 20 juli 2010 appellant hulp kan gebruiken bij het verwerven van vast werk en hij bij aanvang en verandering van werk meer instructie nodig heeft dan normaal. Appellant heeft betoogd dat hij niet alleen begeleiding nodig heeft bij aanvang en verandering van werk, doch ook bij het behouden daarvan. Indien deze omstandigheid bekend was geweest ten tijde van de beoordeling zou dit tot een andere beoordeling hebben geleid.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld.

4.2.

De aanvraag van appellant moet overeenkomstig zijn strekking niet alleen worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 4 augustus 2010, maar ook als een verzoek om een WAJONG-uitkering voor de toekomst. Gezien appellants aanvraag van

4 februari 2013, de daarbij begeleidende brief en zijn bezwaarschrift tegen het besluit van

11 februari 2013 heeft appellant niet een besluitvorming onder toepassing van de Wet Amber voor ogen gestaan.

4.3.

Voor zover de aanvraag een verzoek om herziening van het besluit van 4 augustus 2010 behelst, wordt als volgt overwogen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het rapport van het MEE-onderzoek, niet kan worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, nu daaruit geen nieuwe medische inzichten ten aanzien van de beperkingen van de functionele mogelijkheden om arbeid te verrichten blijken. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat met de verstandelijke beperking van appellant, de daaruit voortvloeiende beperkingen en de begeleidingsbehoefte van appellant reeds rekening is gehouden bij de Wajong-beoordeling in 2010. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv de aanvraag van appellant in zoverre terecht heeft afgewezen.

4.4.

Het Uwv heeft ten onrechte de aanvraag van appellant niet tevens opgevat als betrekking hebbend op de periode na de aanvraag van de Wajong-uitkering. Nu het Uwv in het bestreden besluit dientengevolge heeft verzuimd te beoordelen of hetgeen door appellant is aangevoerd ertoe kan leiden dat hij voor de toekomst aanspraak kan maken op een uitkering krachtens de Wet Wajong, is dit besluit niet deugdelijk gemotiveerd, zodat dit besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.5.

Appellant heeft bij zijn aanvraag noch in bezwaar feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, hoewel geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, aanleiding hadden moeten geven tot nader onderzoek door het Uwv en die konden bijdragen aan het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit waarvan herziening is gevraagd, niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum waarop de aanvraag is gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft over de inhoud van het MEE-rapport vermeld dat met de vastgestelde verstandelijke beperking bij de eerdere beoordeling al rekening is gehouden. Het Uwv wijst er in zijn verweerschrift terecht op dat in 2010 al rekening is gehouden met de verstandelijke beperking van appellant, de daaruit voortvloeiende beperkingen en de begeleidingsbehoefte. Het MEE-rapport bevat daarom geen feiten waaruit de onjuistheid van het besluit van

4 augustus 2010 kan worden afgeleid. Dit leidt tot de conclusie dat de aanvraag van appellant ook met betrekking tot het aspect dat niet door het Uwv is beoordeeld, had moeten worden afgewezen door het Uwv. Aangezien appellant hierdoor niet zal worden benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van die wet worden gepasseerd. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 490,- in beroep en € 490,- in hoger beroep, in totaal € 980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 980,-;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) J.R. van Ravenstein

NK