Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3699

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
15/1961 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onder verwijzing naar artikel 27 en 46a van de Wet WIA is terecht overwogen dat nu appellante niet wenst mee te werken aan een door het Uwv noodzakelijk geacht onderzoek door een psychiater, eventuele uit de Wet WIA voortvloeiende aanspraken op een uitkering buiten aanmerking blijven voor zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. De verzekerde mag de medewerking niet afhankelijk maken van door hem zelf gestelde voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 27
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 46a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1961 WIA

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

27 februari 2015, 14/3461 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2015. Namens appellante is verschenen mr. Verstraelen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J.H.M. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2.

Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster financiële administratie, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 8 december 2011 ziek gemeld. Bij besluit van 6 februari 2014 heeft het Uwv de aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet verder in behandeling genomen en het verstrekte voorschot beëindigd per 5 december 2013.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 9 oktober 2014 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 februari 2014 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 27 en 46a van de Wet WIA is overwogen dat nu appellante niet wenst mee te werken aan een door het Uwv noodzakelijk geacht onderzoek door een psychiater, eventuele uit de Wet WIA voortvloeiende aanspraken op een uitkering buiten aanmerking blijven voor zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat het Uwv een uitzondering voor appellante heeft gemaakt door haar zelf een deskundige te laten aandragen, niet betekent dat appellante voorwaarden kan verbinden aan een uit te voeren onderzoek en evenmin dat het Uwv, nadat die deskundige had afgezien van uitvoering van de opdracht, weer aan appellante moest verzoeken een nieuw voorstel te doen. Het is niet in strijd met de beleidsvrijheid van het Uwv dat het Uwv, nadat was gebleken dat de door appellante aangewezen psychiater het onderzoek niet wilde doen, zelf een psychiater heeft aangewezen om het onderzoek te doen. Het Uwv heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellante niet meewerkt aan een noodzakelijk geacht onderzoek. Door de door appellante gestelde voorwaarden heeft de door haar zelf aangewezen deskundige immers besloten het onderzoek niet te verrichten. Vervolgens heeft appellante te kennen gegeven niet mee te werken aan een onderzoek door een door het Uwv aangewezen deskundige, als daarbij niet aan de door haar gestelde voorwaarden wordt voldaan. Als gevolg daarvan is het Uwv niet in staat geweest het recht op uitkering vast te stellen.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit de wet niet volgt dat geen voorwaarden gesteld kunnen worden aan een nader medisch onderzoek. De door haar gestelde voorwaarden zijn niet tegen de geldende wetgeving. De kernvraag is of het Uwv onvoorwaardelijke medewerking mag afdwingen aan een nader medisch onderzoek en of onderzoekers op basis van hun beroepscode hiermee akkoord mogen gaan. Het Uwv is de gemaakte afspraak dat appellante zelf een deskundige zou aanwijzen niet nagekomen. Het zelf aanwijzen van een deskundige heeft alles te maken met het kunnen stellen van voorwaarden. Het Uwv is daarmee akkoord gegaan. Het afhaken van de deskundige Groot is spijtig, maar verandert niets aan de afspraak met het Uwv. Het niet nakomen van deze afspraak is in strijd met het zorgvuldigheids-, motiverings-, rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Appellante is wel degelijk bereid haar medewerking te verlenen aan een noodzakelijk geacht onderzoek, maar dan wel op basis van de met het Uwv besproken voorwaarden. Appellante heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar de door haar in hoger beroep overgelegde stukken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA is de verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend verplicht mee te werken door zich te laten onderzoeken door het Uwv of door een of meer daartoe door het Uwv aangewezen personen. Artikel 46a van de Wet WIA bepaalt dat indien voor het vaststellen van het recht op uitkering op grond van deze wet, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van een uitkering op grond van deze wet, naar het oordeel van het Uwv een medisch onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op een uitkering op grond van deze wet buiten aanmerking blijven voor zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

4.2.

De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Anders dan appellante betoogt volgt uit de in artikel 27 en 46a van de Wet WIA neergelegde verplichting van de verzekerde om mee te werken aan een door het Uwv noodzakelijk geacht medisch onderzoek, dat de verzekerde deze medewerking niet afhankelijk mag maken van door hem zelf gestelde voorwaarden. In dat geval zou de verzekerde het onderzoek op voorhand kunnen sturen en daarmee het verkrijgen van de juiste en volledige medische informatie die noodzakelijk is voor de beoordeling van zijn arbeids(on)geschiktheid, kunnen belemmeren. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake zijn indien de door het Uwv aangewezen psychiater akkoord zou moeten gaan met de door appellante gestelde voorwaarde dat zij in verband met haar medische privacy slechts gegevens zal verstrekken en vragen beantwoorden die zij zelf strikt noodzakelijk acht voor de beoordeling van haar klachten en belemmeringen. Het voorgaande sluit niet uit, zoals door het Uwv is opgemerkt, dat degene die wordt onderzocht vragen kan stellen over het onderzoek en daarvoor suggesties kan doen, maar het is de ingeschakelde onderzoeker die op basis van zijn expertise bepaalt welk onderzoek noodzakelijk is om tot een goede beantwoording van de onderzoeksvraag te kunnen komen. Bij het inrichten en uitvoeren van het onderzoek is de onderzoeker gebonden aan de voor hem geldende wettelijke verplichtingen, waaronder in dit geval het medisch beroepsgeheim van de psychiater, en heeft zich te houden aan de onderzoeksmethoden en protocollen die binnen de beroepsgroep gelden. Aan eisen ten aanzien van transparantie, betrouwbaarheid, objectiviteit en privacybescherming, zoals door appellante genoemd, kan op deze wijze worden voldaan zonder dat zij voorwaarden stelt aan het onderzoek.

5. Het overwogene onder 4.1 en 4.2 leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E. Dijt en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AP