Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
14-6205 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Weigering eerder genomen afwijzend besluit te herzien. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6205 WUV

Datum uitspraak: 22 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.T. Latuhihin beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 oktober 2014, kenmerk BZ01763731 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Daar is appellante verschenen, bijgestaan door de heer Latuhihin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1938 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in juni 2013 een zogenoemde samenloop-aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv dan wel de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, naar gelang voor haar het gunstigst is. Verweerder heeft, voor zover hier van belang, de Wuv-aanvraag bij besluit van

11 december 2013 afgewezen op de grond dat niet kan worden vastgesteld dat appellante vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. De oorlogsomstandigheden van appellante hebben verweerder geen aanleiding gegeven te onderzoeken of appellante met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Tegen het besluit van 11 december 2013 heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.2.

In mei 2014 heeft appellante verzocht het besluit van 11 december 2013 te herzien en haar alsnog gelijk te stellen met de vervolgde in de zin van de Wuv vanwege het overlijden van haar stiefvader. Dat verzoek heeft verweerder afgewezen bij besluit van 3 juni 2014 en na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat appellante geen nieuwe feiten of gegevens naar voren heeft gebracht die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. In dat verband is overwogen dat er niet van uit kan worden gegaan dat een zodanig hechte band tussen appellante en haar stiefvader is ontstaan dat hij voor haar een oudervervangende persoon is geworden.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2.

Van dergelijke gegevens is ook de Raad niet gebleken. De moeder van appellante is in juni 1940 getrouwd met de militair [naam broer] en is vervolgens met hem in december 1940 verhuisd naar Malang. Appellante bleef wonen bij haar grootouders. [naam broer] is bij het uitbreken van de oorlog in het toenmalig Nederlands-Indië krijgsgevangen gemaakt. Op

17 juni 1943 is hij omgekomen bij een bombardement op het kamp waar hij krijgsgevangen werd gehouden. Uit de gedingstukken komt verder het beeld naar voren dat moeder, met de twee (stief)broertjes van appellante, regelmatig op bezoek kwam. De broer [naam broer] vermeldt ook dat hij tijdens die bezoeken zijn oudere zus leerde kennen als speelkameraad. Daarbij heeft appellante in het sociaal rapport van 16 september 2013 uitdrukkelijk vermeld dat zij haar stiefvader nauwelijks heeft gekend. De aanwezige gegevens rechtvaardigen al met al niet de conclusie dat in de korte periode waarin appellante deel uitmaakte van het gezin, een dermate hechte band met [naam broer] is ontstaan dat hij als oudervervangend persoon kan worden aangemerkt.

2.3.

Gelet op het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de onder 2.1 omschreven terughoudende toets doorstaan. Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

22 oktober 2015.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD