Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3688

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
13-5389 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Weigering uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp. Geen medische noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5389 WUBO

Datum uitspraak: 22 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 september 2013, kenmerk BZ01646939 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door drs. T. Boiten, werkzaam bij de Stichting Pelita. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1940, is bij besluit van 24 januari 2006 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Aan appellant is met ingang van 1 mei 2005 toegekend de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo, een vergoeding van huishoudelijke hulp tot ten hoogste vier uur per week en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer.

1.2.

In april 2013 heeft appellant verzocht om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp naar twee dagdelen (acht uur) huishoudelijke hulp per week. Bij besluit van 20 juni 2013, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder op grond van de aan hem uitgebrachte medische adviezen de aanvraag afgewezen. Naar het oordeel van verweerder is de gevraagde uitbreiding van de huishoudelijke hulp niet medisch noodzakelijk.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Verweerder hanteert, voor zover hier van belang, het beleid dat aan een persoon van

70 jaar of ouder, zoals appellant, een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp per week kan worden toegekend indien hij op grond van het totaal van zijn medische beperkingen - zowel causale als niet-causale - niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Een voorziening voor acht uur huishoudelijke hulp per week kan ook worden toegekend indien sprake is van causale psychische aandoeningen in combinatie met (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag. De Raad heeft dit beleid al meermalen onderschreven (bijvoorbeeld in de uitspraak van 21 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2809).

2.2.

Verweerder heeft de aanvraag van appellant om advies voorgelegd aan zijn geneeskundig adviseur R. Loonstein. Deze arts heeft, mede op basis van gegevens van de huisarts en de orthomanueel arts, geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor uitbreiding van de al aan appellant toegekende vier uur huishoudelijke hulp. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van appellant heeft verweerder advies gevraagd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.M. Ohlenschlager. Deze heeft het advies van Loonstein onderschreven. Volgens Ohlenschlager is er geen medische noodzaak voor meer dan het reeds eerder toegekende ene dagdeel huishoudelijke hulp.

2.3.

De Raad ziet geen grond anders te oordelen. Er zijn geen objectieve medische gegevens naar voren gekomen die daartoe aanleiding geven. Niet is gebleken dat er als gevolg van de causale psychische klachten sprake is van zelfverwaarlozing of chaotisch gedrag. Appellant bestrijdt dat ook niet. Hij heeft ter zitting bovendien uitdrukkelijk verklaard dat hij nog in staat is om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Dat appellant die werkzaamheden alleen in een aangepast tempo kan verrichten doet hieraan niets af. Dat appellant bepaalde huishoudelijke taken niet verricht of niet gewend is te verrichten kan evenmin van invloed zijn. Ook hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd noopt niet tot uitbreiding van de eerder aan hem toegekende huishoudelijke hulp.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

22 oktober 2015.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD