Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
13/2967 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering. Onvoldoende motivering. Van de verzekeringsarts mag verwacht worden dat hij zich door middel van een spreekuurcontact of aanwezigheid bij de hoorzitting een persoonlijk oordeel vormt over de psychische gezondheidstoestand van appellante en bij de vastlegging van dat oordeel kenbaar het rapport van de geraadpleegde psycholoog te betrekken. Nu de verzekeringsarts dit heeft nagelaten voldoet het onderzoek en het bestreden besluit niet aan de daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid. De Raad draagt het Uwv op om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2967 WIA-T

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

23 april 2013, 12/5003 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft tevens als partij deelgenomen [belanghebbende B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Voets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind. Belanghebbende is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster. Op 1 februari 2010 is zij voor deze werkzaamheden uitgevallen met lage rugklachten. Na einde dienstverband per

4 september 2010 is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). De verzekeringsarts van het Uwv heeft appellante in het kader van de uitkering ZW gezien op 12 december 2011 en in het rapport van dezelfde datum vastgesteld dat inmiddels bij appellante, naast rugklachten, ook sprake is van psychische klachten met als gevolg daarvan milde psychomentale beperkingen. De verzekeringsarts heeft aanvullende beperkingen opgenomen ten aanzien van stresstolerantie en conflicthantering.

1.1.2.

De verzekeringsarts heeft appellante voor advies inzake re-integratie doorverwezen naar Condite. In het rapport van 6 februari 2012 is door de psychologen F.S. de Jong en

J.D. Verhoeven van Condite vastgesteld dat appellante steeds verder in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen, waarbij zij in toenemende mate stemmingsklachten heeft ontwikkeld. Met betrekking tot de cognitieve functies van appellante is in het rapport geconstateerd dat het haar moeite kost de aandacht te richten, dat zij traag reageert, en dat het geheugen niet intact lijkt. Bij de analyse is door de psychologen vermeld dat er sterke aanwijzingen zijn dat appellante depressieve en/of angstklachten heeft ontwikkeld.

1.2.

Vanuit de uitkeringssituatie ingevolge de ZW heeft appellante bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De verzekeringsarts van het Uwv heeft appellante gezien op het spreekuur van

9 januari 2012 en in een rapport van dezelfde datum geconstateerd dat appellante door een rugaandoening is aangewezen op rugsparende arbeid. Ten aanzien van de cognitieve functies heeft de verzekeringsarts geen bijzonderheden waargenomen. Appellante claimt ook geen mentale belemmeringen volgens de verzekeringsarts. Hij heeft geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek waargenomen. In de Functionele Mogelijkhedenlijst van 9 januari 2012 zijn door de verzekeringsarts beperkingen vastgesteld die verband houden met de rugaandoening. Het Uwv heeft bij besluit van

16 februari 2012, met inachtneming van het resultaat van medisch en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat appellante met ingang van 30 januari 2012 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Appellante heeft in bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2012 aangevoerd dat haar beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Haar psychische gezondheid is achteruit gegaan, zij is in een neerwaartse spiraal terechtgekomen en heeft last van concentratiestoornissen en angstgevoel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, na dossierstudie en raadpleging van de huisarts van appellante, de onderzoeksbevindingen vastgelegd in het rapport van

17 augustus 2012 en geen reden gezien voor aanscherping van de beperkingen. Het bezwaar van appellante is door het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 28 augustus 2012 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft

- kort weergegeven - overwogen dat de verzekeringsartsen op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd hoe zij tot de vaststelling van de beperkingen zijn gekomen en dat zij daarbij geen relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. Er is geen medische informatie overgelegd die reden geeft tot twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen. In de rapporten van de arbeidsdeskundigen is voorts voldoende toegelicht dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

3. In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat haar beperkingen, als gevolg van de rugklachten en psychische klachten zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan het rapport van Condite van 6 februari 2012 ten onrechte geen aandacht besteed. Dat is onzorgvuldig, temeer daar de primaire verzekeringsarts nog niet over dit rapport kon beschikken. Verder heeft de psychiater die appellante behandelt vanaf 27 april 2012, in zijn brief van 1 oktober 2012 over appellante gemeld dat sprake is van een depressieve stoornis matig van ernst. Appellante is de mening toegedaan dat zij eigenlijk

80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Subsidiair vraagt zij om de benoeming van een deskundige omdat een nader medisch onderzoek geïndiceerd is. Appellante heeft tot slot bedenkingen tegen twee van de drie geselecteerde functies.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of het Uwv per datum in geding, 30 januari 2012, de beperkingen van appellante juist heeft vastgesteld.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust voor zover betrekking hebbende op de door het Uwv vastgestelde beperkingen als gevolg van de rugklachten van appellante. Appellante heeft haar betoog dat de beperkingen die samenhangen met haar rugaandoening niet voldoen, niet nader onderbouwd en evenmin nieuwe medische informatie ingebracht.

4.3.1.

Het oordeel van de rechtbank voor zover betrekking hebbend op de als gevolg van psychische klachten vastgestelde beperkingen wordt echter niet gevolgd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.2.

De verzekeringsarts in het kader van de WIA-beoordeling heeft in het hiervoor onder 1.2 genoemde rapport van 9 januari 2012 ten aanzien van de cognitieve functies van appellante geconstateerd dat geen bijzonderheden zijn waargenomen en geen aanleiding gezien tot het vaststellen van beperkingen voor het persoonlijk of sociaal functioneren van appellante. Deze bevindingen zijn in niet onbelangrijke mate afwijkend van de onderzoeksbevindingen zoals hiervoor onder 1.1 weergegeven in het rapport van de verzekeringsarts in het kader van de ZW van 12 december 2011 en het rapport van de psychologen van Condite van 6 februari 2012.

4.3.3.

Appellante heeft het oordeel van de verzekeringsarts op dit punt in bezwaar gemotiveerd betwist. Voorts staat vast dat de verzekeringsarts bij het opstellen van het rapport van 9 januari 2012 nog niet beschikte over het rapport van Condite van 6 februari 2012, waarin ondersteuning te vinden was voor het betoog van appellante dat sprake was van psychische beperkingen.

4.3.4.

Gelet op wat onder 4.3.2 en 4.3.3 is overwogen had van de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwacht mogen worden zich door middel van een spreekuurcontact of aanwezigheid bij de hoorzitting een persoonlijk oordeel te vormen over de psychische gezondheidstoestand van appellante en bij de vastlegging van dat oordeel kenbaar het rapport van Condite te betrekken. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit heeft nagelaten voldoet het onderzoek en het bestreden besluit niet aan de daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid en is het bestreden besluit tevens onvoldoende gemotiveerd. Deze gebreken zijn niet hersteld met de nadere in hoger beroep overgelegde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv, met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht, op te dragen de in 4.3.4 genoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) I. Mehagnoul

AP