Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
15-277 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging disciplinaire straf van ontslag. Appellant heeft gedurende een periode van bijna twee jaar een groot aantal uren die hij als gewerkte uren heeft geregistreerd, niet kunnen verantwoorden. Ernstig plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/277 AW

Datum uitspraak: 22 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

4 december 2014, 14/3185 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. van der Steeg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Steeg. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kooren, L.J. van Deventer en H.M.H. van den Boom.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 1988 werkzaam bij de politie. Van 1994 tot 2005 was hij [naam functie A] en van 2005 tot 2007 [naam functie B]. Appellant is vervolgens vanaf 2007 werkzaam geweest op het gebied van informatievoorziening. In 2009 is hij geplaatst in de functie van [naam functie C]. Vanaf 1 januari 2010 was hij werkzaam bij het Districtelijk Informatie Knooppunt (DIK) [plaatsnaam 1]. In het kader van deze functie verrichtte appellant deels werkzaamheden op het kantoor [plaatsnaam 2].

1.2.

Op 25 januari 2011 is appellant in een gesprek met districtschef L en teamchef B, de direct leidinggevende van appellant, aangesproken op de discrepantie tussen zijn feitelijk gewerkte uren en de registratie daarvan in de Basisvoorziening Capaciteitsmanagement (BVCM). L heeft bij e-mail van dezelfde datum aan appellant bevestigd dat tijdens het gesprek is afgesproken dat appellant voortaan zijn feitelijk gewerkte uren correct in de BVCM zal verantwoorden en dat hij, in verband met geconstateerde onjuistheden, in 2011 zes uren zal inhalen. In vervolg hierop heeft de korpschef van de toenmalige politieregio Brabant-Noord namens de korpsbeheerder bij brief van 15 februari 2011 de desbetreffende afspraken nogmaals bevestigd. Daarbij is vermeld dat geen aanleiding is gezien om een disciplinaire straf op te leggen, maar dat het niet juist verantwoorden van gewerkte uren in de BVCM als plichtsverzuim kan worden aangemerkt en dat, indien appellant zich in de toekomst onverhoopt aan plichtverzuim zal schuldig maken, dit onvermijdelijk rechtspositionele gevolgen zal hebben.

1.3.

In 2012 ontving B signalen van medewerkers van het DIK dat appellant veelvuldig vroeg wegging en zijn uren niet juist verantwoordde. Naar aanleiding daarvan is een disciplinair onderzoek ingesteld, waarover op 3 juni 2013 en 12 augustus 2013 rapporten zijn uitgebracht.

1.4.

Nadat de korpschef het voornemen daartoe had geuit en appellant zijn zienswijze daarover naar voren had gebracht, heeft de korpschef bij besluit van 17 januari 2014 aan appellant de disciplinaire straf opgelegd van ontslag met onmiddellijke ingang na bekendmaking van het besluit. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

7 augustus 2014 (bestreden besluit). Aan het ontslag is ten grondslag gelegd dat appellant in de periode 11 april 2011 tot en met 26 maart 2013 in totaal 562 uur ten onrechte als gewerkte uren heeft geregistreerd in de BVCM, aangezien hij die uren niet op kantoor aanwezig was. Volgens de korpschef heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij heeft gesteld, gedurende een deel van dat aantal uren veldwerkzaamheden buiten kantoor heeft verricht, zoals het bezichtigen van locaties, het thuis te woord staan van burgers, het observeren van verdachte personen en het horen van anonieme getuigen. Appellant heeft zijn directe collega’s van het DIK er nooit van op de hoogte gesteld dat hij dergelijke werkzaamheden verricht, die werkzaamheden behoren ook niet tot de functie van appellant en hij is niet bevoegd om deze werkzaamheden, die aan strikte protocollen zijn gebonden, te verrichten. Verder heeft de korpschef aan het strafontslag ten grondslag gelegd dat appellant de door hem gestelde verlofopnames niet volgens de geldende voorschriften heeft verricht en zijn uren ook in zoverre niet juist heeft verantwoord. Volgens de korpschef heeft appellant het in hem te stellen vertrouwen ernstig beschaamd en heeft hij zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Ontslag heeft de korpschef een passende disciplinaire straf geacht, mede nu appellant in 2011 uitdrukkelijk is aangesproken op zijn urenregistratie.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan als straf ontslag worden opgelegd.

4.2.

Het is tussen partijen niet meer in geschil dat appellant in de periode van 11 april 2011 tot en met 26 maart 2013 562 uur in de BVCM als gewerkte uren heeft geregistreerd, terwijl hij die uren niet op kantoor heeft doorgebracht. Volgens appellant heeft hij een deel van deze uren veldwerkzaamheden verricht en behoren deze werkzaamheden tot zijn functie van [naam functie C], mede gezien de vrijheid die aan de medewerkers van het DIK toekwam bij de invulling van hun functie. Verder heeft appellant erop gewezen dat hij veelvuldig overuren maakte en dat hij dan in een aantal gevallen verlof opnam volgens het principe van tijd voor tijd.

4.3.

De functie van [naam functie C] heeft het karakter van een bureaufunctie, waarvan de door appellant genoemde veldwerkzaamheden geen deel uitmaken. Dit volgt uit de functiebeschrijving en de in het dossier aanwezige beschrijvingen van het werkterrein van het DIK. Verder heeft zowel leidinggevende B als M, die verantwoordelijk was voor de dagelijkse aansturing van de medewerkers van het DIK, verklaard dat deze werkzaamheden niet tot de functie van [naam functie C] behoren en dat dergelijke werkzaamheden ook niet aan appellant zijn opgedragen. Daarnaast hebben B en M verklaard dat appellant aan hen nooit heeft gemeld dat hij dergelijke werkzaamheden verrichtte. Aan de stelling van appellant dat zijn collega’s van het DIK op de hoogte waren van het verrichten van veldwerkzaamheden, wordt daarom voorbijgegaan. De korpschef heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant de onjuist geregistreerde uren achteraf niet adequaat heeft verantwoord met de gestelde veldwerkzaamheden.

4.4.

Wat betreft de door appellant gestelde verlofopnames volgens het principe tijd voor tijd heeft de korpschef erop gewezen dat als een medewerker overuren wil aanwenden voor het opnemen van verlof, zowel de overuren als de op te nemen verlofuren in de BVCM moeten worden geregistreerd. Deze registratie wordt als een verzoek om verlofopname doorgeleid naar de leidinggevende, die het verzoek al dan niet honoreert. Het is niet in geschil dat appellant niet heeft gehandeld volgens deze procedure. Het is daarom aan hem om aannemelijk te maken dat hij de gestelde overuren heeft gemaakt. Daarin is hij niet geslaagd. Appellant heeft geen concrete, verifieerbare gegevens ingebracht waaruit blijkt dat hij overuren heeft gemaakt. Daar komt bij dat appellant gedurende zijn weekenddiensten een aanwezigheidsplicht had en niet zonder toestemming van zijn leidinggevende het kantoor mocht verlaten. Ook wat betreft de gestelde verlofopnames heeft appellant de desbetreffende uren dus niet juist verantwoord.

4.5.

De aan appellant verweten gedragingen zijn daarmee vast komen te staan. Met de korpschef en de rechtbank wordt geoordeeld dat deze gedragingen plichtsverzuim opleveren. Nu niet is gebleken dat de gedragingen niet aan appellant kunnen worden toegerekend, was de korpschef bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

4.6.

Evenals de rechtbank, acht de Raad de opgelegde disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Appellant heeft gedurende een periode van bijna twee jaar een groot aantal uren die hij als gewerkte uren heeft geregistreerd, niet kunnen verantwoorden. Dat maakt dat het om ernstig plichtsverzuim gaat. Daar komt bij dat appellant begin 2011 expliciet is aangesproken op zijn urenregistratie, waarbij hem is meegedeeld dat het opnieuw onjuist registreren van gewerkte uren onvermijdelijk rechtspositionele gevolgen zou hebben. De lengte van het dienstverband van appellant en de omstandigheid dat de kwaliteit van het werk van appellant positief is beoordeeld, leiden niet tot een ander oordeel.

4.7.

Tot slot heeft appellant nog aangevoerd dat voor hem tijdens het disciplinaire onderzoek een mondeling gegeven contactverbod heeft gegolden met zijn collega’s van het DIK. Volgens appellant was dit contactverbod onevenredig en heeft de korpschef zich gedurende de (hoger)beroepsprocedure ten onrechte op het standpunt gesteld dat nooit een contactverbod is opgelegd. De korpschef heeft hierover naar voren gebracht dat appellant een bepaalde periode is geschorst en dat gedurende die periode gold dat zijn collega’s hem niet tot het werk mochten toelaten. Een verderstrekkende ordemaatregel is volgens de korpschef niet genomen. De Raad volstaat met de vaststelling dat appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen een besluit tot oplegging van een contactverbod dan wel een daarmee gelijk te stellen andere handeling als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat er ook geen hoger beroep voorligt over een dergelijke beslissing.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en A.M. van der Leeden als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2015.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.M. Fleuren

HD