Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
14-2647 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Geen hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Onzorgvuldig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2647 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2014, 14/583, 14/584 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Braam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Roerig.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 juli 2011 bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) naar de norm voor een alleenstaande. Hij stond toen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegeven ingeschreven op het adres

[uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 16 april 2012 dat appellant sinds drie jaar zijn woning regelmatig onderverhuurt en zelf elders in dezelfde straat woont, heeft een sociaal rechercheur van de afdeling Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is informatie over het water- en energieverbruik van appellant opgevraagd, zijn in de periode van 23 mei 2013 tot en met 5 augustus 2013 waarnemingen verricht in de omgeving van het adres van de vriendin van appellant aan de [adres] te [woonplaats], zijn op

7 augustus 2013 buren van appellant gehoord en heeft op 13 augustus 2013 een gesprek met appellant en aansluitend een huisbezoek op het uitkeringsadres plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 september 2013.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

11 oktober 2013 de bijstand in te trekken met ingang van 1 juli 2011 en bij besluit van

11 november 2013 de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2011 tot en met

31 augustus 2013 tot een bedrag van € 17.573,84 terug te vorderen van appellant. Appellant heeft alleen tegen het intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 31 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 1 juli 2011 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Door daarvan geen melding te maken aan het college, heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.5.

Hangende het beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant een drietal schriftelijke verklaringen van buurtbewoners ingebracht. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld nader onderzoek te verrichten. Twee medewerkers van de afdeling Rechtshandhaving van de gemeente Groningen hebben in dat kader op 13 en 18 maart 2014 twee directe buren van appellant en twee buurtbewoners als getuigen gehoord.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat het college op grond van de waarnemingen, de informatie over het waterverbruik, de verklaringen van de buren en de in beroep door het college overgelegde verklaringen van buren en buurtbewoners terecht heeft geconcludeerd dat appellant niet op het uitkeringsadres woont.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij ten tijde in geding woonde op het uitkeringsadres en dat de onderzoeksresultaten niet uitwijzen dat hij daar niet woonde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 juli 2011 tot en met 11 oktober 2013, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Hieruit volgt dat het college in dit geval aannemelijk dient te maken dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres.

4.4.

Anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, is het college hier naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Ter zitting heeft het college erkend dat uit de waarnemingen niet kan worden afgeleid dat appellant zijn hoofdverblijf niet heeft op het uitkeringsadres. Alle waarnemingen zijn verricht bij het adres van de vriendin van appellant en hieruit volgt slechts dat appellant op sommige dagen haar woning ingaat en dat zijn bus veelvuldig bij dat adres geparkeerd staat.

4.6.1.

Het college heeft zwaarwegende betekenis toegekend aan het lage waterverbruik op het uitkeringsadres in de te beoordelen periode.

4.6.2.

Het waterverbruik op het uitkeringsadres bedroeg in de periode van 1 januari 2011 tot

1 januari 2012 36 m3, in de periode van 1 januari 2012 tot 1 januari 2013 8 m3 en in de periode van 1 januari 2013 tot en met 13 augustus 2013 3 m3. Dit is weliswaar laag, maar appellant heeft een plausibele verklaring gegeven voor dat lage verbruik. Hij heeft verklaard dat hij zelfstandige is en zes dagen per week gedurende tien uur per dag werkt. Hij kookt niet, maakt kant-en-klaar maaltijden warm of haalt ergens eten. Hij gaat vaak naar een kameraad en slaapt drie dagen in de week bij zijn vriendin. Hij doucht weinig thuis.

4.6.3.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het college ter zitting, desgevraagd, niet duidelijk heeft kunnen maken waarom deze verklaring niet afdoende is om het lage verbruik te verklaren, bieden de gegevens over het waterverbruik op het uitkeringsadres geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op dat adres.

4.7.1.

Voorts heeft het college zwaarwegende betekenis toegekend aan de verklaringen die buurtbewoners tijdens het in 1.1 bedoelde onderzoek en hangende beroep hebben afgelegd.

4.7.2.

In het rapport van 2 september 2013 is opgenomen dat tijdens een buurtonderzoek op

7 augustus 2013 twee buren hebben verklaard dat op het adres van appellant de afgelopen twee jaar verschillende mensen hebben gewoond. Zij hebben appellant meer dan twee jaar niet gezien. Verder is opgenomen dat twee andere buren hebben verklaard niet te weten wie op het uitkeringsadres woont, omdat zij op dat adres nooit iemand zien of zelf nog niet zo lang in de straat wonen. Dat de buren appellant niet zien, is onvoldoende om vast te stellen dat appellant niet woont op het door hem opgegeven adres, nog daargelaten dat de verklaringen van de buren niet zijn vastgelegd in afzonderlijke processen-verbaal en hun namen niet zijn vermeld.

4.7.3.

Uit de verklaringen van de in beroep gehoorde buren van appellant komt naar voren dat anderen dan appellant in de woning hebben gewoond, dat appellant twee of drie jaar respectievelijk vier of vijf jaar niet is gezien en dat hij vrijwel nooit thuis is. Tevens hebben deze buren verklaard dat appellant wel af en toe langskomt. Deze verklaringen zijn innerlijk tegenstrijdig, niet eenduidig en onduidelijk over het tijdspad. Daar komt bij dat de andere twee in beroep gehoorde buurtbewoners, beiden werkzaam in een in de directe nabijheid van het uitkeringsadres gelegen eetcafé, hebben verklaard dat zij appellant regelmatig zien in de buurt van zijn woning en dat hij zijn bedrijfsbus voor het eetcafé parkeert en daarna in de richting van zijn woning loopt.

4.7.4.

Het college heeft ter zitting, desgevraagd, niet kunnen duiden welke feitelijkheden in de verklaringen van de buren en buurtbewoners dragend zijn voor de conclusie dat appellant niet woont op het door hem opgegeven adres. Van belang is voorts dat appellant heeft verklaard

- en dat is ook niet in geschil - dat hij vaak niet thuis is, omdat hij veel werkt en gedurende een aantal dagen per week bij zijn vriendin is. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor de omstandigheid dat de buren appellant bijna nooit zien. Bovendien is tijdens het op 13 augustus 2013 afgelegde huisbezoek geconstateerd dat de woning van appellant gemeubileerd is en dat eten en drinken aanwezig zijn, er zowel geopende als ongeopende post ligt, een zakje afval in huis ligt en wasgoed op een rek hangt. De verklaringen van buren en buurtbewoners bieden gelet hierop evenmin een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres.

4.8.

Gelet op 4.5 tot en met 4.7 zijn de onderzoeksbevindingen op zichzelf en ook in onderlinge samenhang bezien niet voldoende om de conclusie te kunnen dragen dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op het opgegeven adres. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke (feitelijke) grondslag berust. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de voorzieningenrechter zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.9.

Aangezien het college ter zitting kenbaar heeft gemaakt bij vernietiging van het bestreden besluit nader onderzoek te willen verrichten en niet op voorhand duidelijk is dat het gebrek in het bestreden besluit eenvoudig en binnen redelijke termijn zal kunnen worden geheeld, acht de Raad het niet opportuun een zogeheten bestuurlijke lus toe te passen. De Raad zal daarom het college opdragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 oktober 2013.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 31 januari 2014;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.F. Claessens en

L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.

(getekend) P.W. Straalen

(getekend) B. Fotchind

HD