Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
14-1810 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Ingangsdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1810 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2014, 13/760 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 14/2105 WWB. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Blokzijl. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 augustus 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellante staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het adres [Adres A] te [woonplaats]. Naar aanleiding van een anonieme tip op 17 januari 2012 dat appellante al zes jaar samenwoont met [naam J] (J), heeft de sociale recherche van de dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente [woonplaats] onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Hierbij heeft een sociaal rechercheur appellante gehoord op

21 en 22 januari 2013, heeft hij J op 21 en 22 januari 2013 gehoord, dossieronderzoek verricht, gegevens opgevraagd met betrekking tot het energie- en waterverbruik en getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van

19 maart 2013.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 7 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 september 2012

(te beoordelen periode) in te trekken, de bijstand over de periode van 28 september 2012 tot en met 31 oktober 2012 te herzien, de langdurigheidstoeslag verleend in de maanden juli 2010, januari 2012 en januari 2013 in te trekken, de bijzondere bijstand ontvangen in november 2008 en maart 2012 in te trekken en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 53.845,10 van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante en J in de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 september 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Door daarvan geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verder ligt aan het bestreden besluit ten grondslag dat appellante in de periode van 1 augustus 2011 tot en met

31 december 2012 inkomsten uit schoonmaakwerk bij particulieren heeft genoten, waarvan zij evenmin melding heeft gemaakt bij het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het hoger beroep van appellante richt zich, gelet op het verhandelde ter zitting, tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. Appellante betoogt dat zij in de te beoordelen periode geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met J.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. J stond gedurende een deel van de te beoordelen periode met adres onbekend ingeschreven in de GBA en verder perioden met een postadres. Appellante en J stonden dus in de te beoordelen periode niet op hetzelfde adres ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen (arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556).

4.4.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bieden de bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche geen toereikende grondslag voor de conclusie dat J reeds vanaf 1 januari 2008 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante heeft gehad. Het college heeft voor de beoordeling of sprake was van een gezamenlijke huishouding doorslaggevende betekenis toegekend aan de door appellante op 21 en 22 januari 2013 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen. Appellante heeft verklaard dat als haar wordt gevraagd of het klopt dat zij van ergens in 2008 tot september 2012 een relatie heeft gehad met J, dit klopt. Verder heeft zij verklaard dat het kan kloppen dat getuigen zeggen dat [H] (J) en [M] (appellante) samenwonen van 2008 tot september 2012. Anders dan het college stelt, verschaft de verklaring van appellante geen duidelijkheid over de door het college gehanteerde aanvangsdatum van 1 januari 2008 van het hoofdverblijf van J op het adres van appellante. Ook de overige onderzoeksgegevens geven hierover geen uitsluitsel. De verklaringen van getuigen zijn niet eenduidig. Het elektra- en waterverbruik biedt evenmin zekerheid over het hoofdverblijf van J op het adres van appellante, omdat het verbruik wisselend is geweest.

4.5.

De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche bieden wel voldoende grondslag voor de conclusie dat J vanaf 22 oktober 2008 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had. Het college heeft er terecht op gewezen dat J vanaf dat moment in de GBA stond ingeschreven met een postadres en dat geen ander adres bekend is waar J zijn hoofdverblijf zou hebben. Het college heeft voorts terecht zwaarwegende betekenis toegekend aan de verklaringen die appellante heeft afgelegd. Appellante heeft op 21 januari 2013 verder verklaard dat er nog spullen, zoals handdoeken en kopjes, van J bij haar in de woning zijn en dat er gereedschap van J bij haar ligt. Ook heeft zij verklaard dat er kleren van J bij haar liggen. Daarnaast heeft zij verklaard dat er post van J bij haar kwam en dat hij administratie in haar woning bewaarde. Gevraagd naar berichten die J op Facebook had geplaatst en waarbij staat “thuis”, heeft appellante verklaard dat als J “thuis” schrijft, hij bij haar bedoelt. Uit onderzoek door de sociale recherche is verder gebleken dat J vanaf 22 november 2010 bij werkgevers het adres van appellante als zijn adres opgaf. Ook uit het registratiesysteem van de regiopolitie [woonplaats] blijkt dat J regelmatig in de woning van appellante aanwezig was. Op 21 augustus 2008 heeft J aangifte gedaan van diefstal van een brommer uit de tuin van de woning van appellante. Op 12 juni 2011 is J gehoord in verband met bedreiging. Hij heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij bij zijn vriendin [M] (appellante) verblijft. Deze feiten bieden in het licht van de onder 4.4 weergegeven verklaring van appellante voldoende grondslag voor de conclusie dat J in ieder geval op 22 oktober 2008, toen hij na een periode met onbekend adres een postadres koos, zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante.

4.6.

Het tweede criterium is de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7.

Appellante heeft niet betwist dat sprake was van zorg van haar voor J. Zij heeft wel betwist dat sprake was van zorg door J. De gedingstukken bieden echter voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat voldaan is aan het vereiste van wederzijdse zorg. De rechtbank heeft terecht belang gehecht aan de verklaring van appellante dat J een aantal van de gezamenlijke vakanties heeft betaald. Appellante heeft voorts verklaard dat J af en toe klussen in haar huis en tuin deed, wel eens stofzuigde, wel eens kookte als zij gewerkt had en dat hij af en toe op haar kleinkind paste. J beschikte over de pincodes van haar bankpas, zodat hij betalingen voor haar kon verrichten.

4.8.

De beroepsgrond van appellante dat uit de financiële gegevens op geen enkele wijze blijkt van een financiële verstrengeling, treft geen doel. Gelet op 4.6 kan sprake zijn van wederzijdse zorg zonder financiële verstrengeling. Overigens blijkt uit afschriften van de bankrekening van appellante dat zij onder meer op 12 oktober 2010 een betaling heeft verricht bij de politie [woonplaats] om een boete voor J te voldoen. Op 10 oktober 2012 heeft zij een betaling aan de Penitentiaire Inrichting [plaatsnaam] ter attentie van J tot een bedrag van € 35,- verricht. Ook daaruit blijkt, samen met het gegeven dat J sommige gezamenlijke vakanties betaalde en betalingen voor appellante kon verrichten, zoals in 4.7 genoemd, van een zekere financiële verstrengeling tussen appellante en J.

4.9.

Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat appellante en J in de periode van 22 oktober 2008 tot en met 27 september 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante heeft daarvan geen melding gemaakt bij het college. Dit betekent dat appellante in deze periode niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden aangemerkt en dus geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college was dan ook verplicht de bijstand over de periode van 22 oktober 2008 tot en met 27 september 2012 en de onder 1.3 overigens aangeduide verleende bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken.

4.10.

Uit 4.4 volgt tevens dat geen toereikende grondslag bestaat voor de intrekking en de terugvordering van de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008, en, in aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, op de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens zal de Raad het besluit van 7 maart 2013 herroepen, voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

4.11.

Aangezien de bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie, dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van het begrip gezamenlijke huishouding, zal het college opgedragen worden een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 maart 2013, voor zover het betrekking heeft op de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 22 oktober 2008 tot en met 27 september 2012. Het college zal in zoverre een nieuwe berekening moeten maken. Het gaat nog uitsluitend om een nadere financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 490,- voor de kosten in bezwaar, op € 490,- voor de proceskosten in beroep en op € 490,- voor de proceskosten in hoger beroep, dus in totaal op € 1.470,- (3 punten). De Raad heeft hierbij rekening gehouden met de gelijktijdige behandeling zowel ter hoorzitting van het college, ter zitting van de rechtbank als ter zitting van de Raad met de zaak 14/2105 WWB, waarbij in beide, zeer samenhangende, zaken dezelfde gemachtigde is verschenen, en met de proceskostenveroordeling in die zaak.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juni 2013 gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 juni 2013, voor zover daarbij de intrekking van bijstand over de

periode van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008 is gehandhaafd en voor zover het de

terugvordering als geheel betreft;

- herroept het besluit van 7 maart 2013, voor zover dat ziet op de intrekking over de periode

van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.470,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en

S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Boomhouwer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD