Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
14-191 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor maatschappelijke opvang berust op goede gronden. Appellante verbleef op verschillende adressen bij vrienden en kennissen binnen de Tibetaanse gemeenschap. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak ontbrak om appellante toe te laten tot de maatschappelijke opvang, dan wel om appellante leefgeld te verstrekken om zelf in opvang te kunnen voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/191 WMO

Datum uitspraak: 21 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 december 2013, 13/1066 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in] , is van Tibetaanse afkomst en is in 2011 Nederland binnengekomen. Ze heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning gedaan, maar deze is afgewezen. Appellante is uitgeprocedeerd en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.

1.2.

Op 24 augustus 2012 heeft appellante bij het college een aanvraag ingediend voor onder meer maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 25 september 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 september 2012 ongegrond verklaard, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wmo. Hierbij heeft het college zich onder meer op het standpunt gesteld dat bij appellante geen sprake is van feitelijke dakloosheid en dat dit een eventuele aanspraak op maatschappelijke opvang in de weg staat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat appellante feitelijk onderdak heeft gehad bij vrienden en kennissen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het college haar toegang tot de maatschappelijke opvang had moeten verlenen, omdat zij, ondanks dat zij bij verschillende mensen mocht slapen en mee mocht eten, dringend behoefte had aan hulp.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante op grond van het bepaalde in de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang. In zijn uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, heeft de Raad uiteengezet hoe de bevoegdheden terzake van de opvang van vreemdelingen verdeeld zijn sinds de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

22 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2099, 10 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:86, en 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722. Ingevolge de uitspraak van de Raad van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, geldt deze bevoegdheidsverdeling voor aanvragen om maatschappelijke opvang die gedaan zijn na 24 februari 2014, omdat de nieuwe verdeling toen voldoende vaste vorm had aangenomen en aanvragers daarmee voor die tijd niet bekend konden zijn. Dit betekent dat op de beoordeling van de aanspraken van appellante nog het recht van toepassing is, zoals dat voor de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014 gold.

4.2.

De Raad is op grond van het navolgende van oordeel dat in de situatie van appellante geen sprake is van een situatie waarbij voor het college de positieve verplichting geldt om appellante op basis van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opvang te bieden.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij een aanvraag als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de periode van belang de periode van 24 augustus 2012 tot en met 19 februari 2013 betreft. Gedurende deze periode is niet gebleken van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid bij appellante. Appellante heeft in die periode verbleven op verschillende adressen bij vrienden en kennissen binnen de Tibetaanse gemeenschap. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak ontbrak om appellante toe te laten tot de maatschappelijke opvang, dan wel om appellante leefgeld te verstrekken om zelf in opvang te kunnen voorzien.

4.4.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er is daarom geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2015.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) W. de Braal

UM