Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
13-4779 wia
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4779 WIA

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 juli 2013, 11/3172 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep aangetekend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/4780 plaatsgehad op

28 augustus 2015. Appellante is verschenen, vergezeld door mr. E. Wolter, advocaat en haar zoon [naam zoon]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster tuinbouw voor ongeveer

30 uur in de week. Op 18 mei 2009 is zij uitgevallen met nek-, schouder-, arm- en knieklachten. Bij besluit van 6 april 2011 heeft het Uwv appellante bericht dat zij met ingang van 16 mei 2011 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Na onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv de bezwaren van appellante bij beslissing op bezwaar van 25 oktober 2011 (bestreden besluit) ongegrond geacht. Voor appellante zijn de functies soldering technician, medewerker gordijnen en pizzalijn-medewerker geselecteerd, waarmee haar verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% bedraagt.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen zoals die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 juli 2011. Het dossier bevat voldoende onderzoeksgegevens om op een verantwoorde wijze tot een afgewogen medisch oordeel te komen en een inschatting van de belastbaarheid van appellante te maken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien appellante te volgen in haar stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.

3.1.

Appellante kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en heeft naar voren gebracht dat zij vanwege haar gezondheidsklachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen op en na de datum in geding nog niet in staat is geweest tot het verrichten van arbeid en dan met name de haar voorgehouden voorbeeldfuncties. Appellante ondervond op 16 mei 2011 nog veel last van pijnklachten aan haar knie, arm, nek en schouder. Zij onderging specialistische behandeling en kreeg medicatie voorgeschreven, maar sliep vanwege de pijn zeer slecht waardoor zij overdag vermoeid was. Ook ondervond zij last van stof, huismijt, bloemen- en verfgeuren. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen. De geselecteerde functies zijn niet passend en geschikt voor haar omdat zij last ervaart bij het werken onder tijdsdruk, werken waarbij soldeerdamp vrijkomt ongeschikt is en de functies overschrijdingen kennen op de items tillen, duwen staan en lopen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het gemotiveerde oordeel van de rechtbank. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die nieuw licht op de zaak werpen. De rechtbank heeft terecht de beroepsgrond verworpen dat de voor appellante geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen moeten de functies die aan de beoordeling ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend worden aangemerkt. De Raad heeft ook het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 augustus 2011 bij zijn oordeel betrokken. In dit rapport is overtuigend verduidelijkt dat de belasting in de geselecteerde functies in overeenstemming is met de verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen. De Raad komt, evenals de rechtbank tot de slotsom dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 16 mei 2011 terecht en op goede gronden is vastgesteld op minder dan 35%, zodat zij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover deze ziet op het bestreden besluit.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het bestreden besluit.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

9 oktober 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) J.R. van Ravenstein

JvC