Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
13-2402 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening heeft gehouden met appellants beperkingen ten gevolge van de ziekte van Crohn. In hoger beroep is alsnog een volledige en inzichtelijke arbeidskundige onderbouwing gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2402 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 maart 2013, 12/11032 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 28 augustus 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, heeft zich op 4 februari 2010 vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld in verband met door de ziekte van Crohn veroorzaakte darmklachten.

1.2.

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij met ingang van 2 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Naar aanleiding van zijn bezwaar tegen dit besluit is appellant onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft tevens inlichtingen ingewonnen bij de behandelend MDL-artsen van appellant en in haar rapport van 8 oktober 2012 te kennen gegeven dat de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en aanpassing aan fysieke omgevingseisen in door de primaire verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) dienen te worden aangepast, omdat een posttraumatische stressstoornis en een depressie zijn gediagnosticeerd bij appellant en omdat hij een nikkelallergie heeft. Voorts is erop gewezen dat appellant niet geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk, maar aangewezen is op licht, niet te stresserend werk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 24 oktober 2012 te kennen gegeven dat appellant ook met de aangepaste FML geschikt is te achten voor de vier eerder geselecteerde functies.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 januari 2012 is bij besluit van

29 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld geen aanknopingspunten te hebben voor de juistheid van de stelling van appellant dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten die verband houden met de ziekte van Crohn. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verklaring van MDL-arts J. Lai van 28 september 2012, waarin is vermeld dat bloedonderzoek en een MRI geen evidente fistels of activiteit van de ziekte van Crohn laten zien en er op dat moment geen objectiveerbare opvlamming aanwezig lijkt te zijn, een goed beeld geeft van de medische situatie zoals deze was omstreeks de datum in geding. Aan de verklaring van MDL-arts J.C.H. Hardwick van 10 januari 2012, heeft de rechtbank minder gewicht toegekend voor de beoordeling per de datum in geding omdat deze is gebaseerd op uitkomsten van een MRI in 2010.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gronden van medisch aard aangevoerd. Er is volgens hem ten onrechte van uitgegaan dat de ziekte van Crohn ten tijde van de datum in geding niet actief was. Het Uwv en de rechtbank hebben daarbij onvoldoende gewicht toegekend aan de verklaring van Hardwick van 10 januari 2012. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een verklaring van Hardwick van 13 juni 2013 overgelegd waarin deze arts te kennen geeft dat er in 2010 een actieve ontsteking bij de fistel vanuit de dunne darm naar de blinde rectumstomp was, deze afwijking moeilijk zichtbaar was en dat de kans dat deze fistel zonder operatie in 2012 is verdwenen uiterst klein is. Voorts heeft appellant onder verwijzing naar ECLI:NL:CRVB:2009:BH3197 gesteld dat er een urenbeperking aan de orde zou moeten zijn.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld geen aanknopingspunten te hebben voor de conclusie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met appellants beperkingen. Deze verzekeringsarts heeft bij de behandelend

MDL-artsen van appellant inlichtingen ingewonnen en in haar rapport van 8 oktober 2012 vermeld dat in de gegevens van Lai die appellant rond de datum in geding heeft gezien, geen aanwijzingen zijn aangetroffen voor evidente activiteit van de ziekte van Crohn. Appellant valt niet in een van de uitzonderingscategorieën waarbij op medische grond sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. In het in hoger beroep ingebrachte rapport van 15 juli 2013 is er door deze verzekeringsarts (nogmaals) op gewezen dat Hardwick appellant sinds november 2011 niet meer heeft gezien en Lai appellant in februari 2012, rond de datum in geding, heeft gezien. Een urenbeperking is volgens deze verzekeringsarts niet aan de orde, er is rekening gehouden met een energetische beperking waarbij appellant geschikt is te achten voor licht werk. Desgevraagd heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 2 februari 2015 te kennen gegeven dat uit alle aanwezige dossierstukken bekend is dat door de behandelend artsen van appellant geen ziekteactiviteit werd gevonden in de dunne darm, maar er nog wel ontstekingsactiviteit in de rectumstomp is. Tegenover het verzekeringsgeneeskundige oordeel waarop het Uwv zich baseert, heeft appellant geen zodanig onderbouwd medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. Het geval van appellant is wezenlijk anders dan het geval in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2009:BH3197. In deze uitspraak was immers een deskundige door de Raad ingeschakeld die had geconcludeerd dat de betrokkene niet in staat was fulltime arbeid te verrichten.

4.2.

Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 maart 2015 is te kennen gegeven dat de functie van monteur/monteuse met SBC-code 267050 alsnog dient te vervallen vanwege de eisen voor ‘vaste, bekende werkwijzen’ en in deze functie hogere eisen worden gesteld aan het bij de invulling van de functie zelfstandig kunnen werken. In plaats daarvan zijn binnen dezelfde SBC-code twee andere functies geselecteerd. In dit rapport is in combinatie met de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 april 2012 en 24 oktober 2012 inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies waarin de belasting in overeenstemming is met zijn verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen.

4.3.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Gelet op de omstandigheid dat pas in hoger beroep een volledige en inzichtelijke arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden begroot op een bedrag van € 1.470,- (3 punten, wegingsfactor 1).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van in totaal € 1.470,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

9 oktober 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) J.R. van Ravenstein

AP