Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
14/1873 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aanvraag voor een tegemoetkoming in de gemaakte onderwijskosten van zoon voor de muzieklessen, te weten kosten voor de huur van een trompet, is terecht geweigerd. Met de Administratieve Aanwijzing 1.6 betreffende Onderwijskosten van 19 juli 2012, is geen categoriale afwijzingsgrond gecreëerd waardoor het beleid, zonder dat het is ingetrokken of gewijzigd, feitelijk buiten werking wordt gesteld. Ingevolge de Aanwijzing komen diverse kosten wel voor vergoeding in aanmerking. De commandant heeft met juistheid betoogd dat de vraag of over een dwangsom loonheffing is verschuldigd ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen (Awr), moet worden beantwoord door de Inspecteur van de Belastingdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1873 AW, 14/2490 AW, 14/2902 AW

Datum uitspraak: 15 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 maart 2014, 13/7482 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Commandant van het Dienstencentrum Internationale Ondersteuning Defensie (commandant)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. W.E. Louwerse hoger beroep ingesteld. Ook de commandant heeft hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

De commandant heeft een besluit van 25 april 2014 genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak overgelegd. Betrokkene heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2015. Namens betrokkene is verschenen mr. Louwerse. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H. Zilverberg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was als militair in de periode van juli 2009 tot juli 2012 om redenen van dienst geplaatst in de Verenigde Staten van Amerika. Zijn zoon volgde aldaar onderwijs, waaronder het vak muziek. Op 8 maart 2013 heeft betrokkene een formeel verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de gemaakte onderwijskosten voor de muzieklessen, te weten kosten voor de huur van een trompet, muziekboeken en andere kleine materialen.

1.2.

Bij besluit van 4 april 2013 heeft de commandant de aanvraag afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 augustus 2013 is dit bezwaar ongegrond verklaard. De commandant verwijst hierbij naar artikel 16, eerste lid, onderdeel c en d van het Voorzieningenstelsel Buitenland Defensiepersoneel (VBD) en de Administratieve Aanwijzing 1.6 betreffende Onderwijskosten van 19 juli 2012 (Aanwijzing).

1.3.

Nadat betrokkene de commandant in gebreke had gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar, heeft de commandant bij besluit van 7 oktober 2013 (bestreden

besluit 2) betrokkene over de periode van 24 augustus 2013 tot en met 27 augustus 2013 een dwangsom toegekend. Daarbij heeft de commandant ter informatie meegedeeld dat op het bedrag van de dwangsom loonbelasting wordt ingehouden. In lijn met artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank bestreden besluit 2 in haar beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 1 meegenomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten - de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat met bestreden besluit 1 niet op de gehele aanvraag van betrokkene is beslist nu uitsluitend is beslist op de aanvraag om vergoeding van kosten voor de huur van een muziekinstrument. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de commandant in redelijkheid het verzoek om vergoeding van de kosten voor de huur van het muziekinstrument met toepassing van de Aanwijzing heeft kunnen afwijzen. Wat betreft bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende is gemotiveerd waarom loonheffing is ingehouden op de dwangsom.

3. Partijen hebben op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

3.1.

De commandant heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij beslissing op bezwaar van 25 april 2014 (nader besluit) het bezwaar van betrokkene tegen bestreden besluit 1 in zoverre gegrond verklaard dat de gemaakte kosten voor de aanschaf van een muziekboek voor vergoeding in aanmerking komen. Vergoeding van kosten voor kleine materialen is geweigerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Hoger beroep betrokkene - bestreden besluit 1

4.1.

Het hoger beroep van betrokkene is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de kosten voor het huren van het muziekinstrument niet behoeften te worden vergoed.

4.2.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, van het VBD heeft de gehuwde defensieambtenaar die is geplaatst in een gebied buiten Nederland en die een of meer kinderen heeft die aldaar onderwijs genieten, aanspraak op een tegemoetkoming in de daarmee verband houdende onderwijskosten, bijkomende kosten en de reiskosten.

4.3.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van het VBD worden onder bijkomende kosten verstaan de, naar het oordeel van de commandant, noodzakelijke voor het onderwijs verschuldigde kosten van registratie, examenkosten en kosten van onderwijsmateriaal, met uitzondering van de kosten van huisvesting, schoolmaaltijden en schooluniformen.

4.4.

In de Aanwijzing is neergelegd op welke wijze invulling wordt gegeven aan artikel 16 van het VBD. In artikel 5.2 van de Aanwijzing staat dat de kosten van aanschaf of huur van muziekinstrumenten niet voor vergoeding dan wel tegemoetkoming in aanmerking komen.

4.5.

Met de rechtbank en de commandant is de Raad van oordeel dat de Aanwijzing moet worden aangemerkt als een schriftelijke vastlegging van een vaste gedragslijn over de wijze waarop de bewoordingen ‘naar het oordeel van de commandant’ uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van het VBD worden ingevuld.

4.6.

Betrokkene heeft betoogd dat de Aanwijzing niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen worden gelegd, omdat de Aanwijzing terugwerkende kracht ontbeert. Dit betoog slaagt niet. De aanvraag van betrokkene dateert van na het tot stand komen van de Aanwijzing. Dat deze op een voorliggende periode betrekking heeft, maakt dat niet anders. Het uitgangspunt van een volledige heroverweging brengt daarbij overigens met zich mee dat in beginsel zelfs in bezwaar getoetst moet worden aan de regelgeving en het beleid ten tijde van de beslissing op bezwaar. Het rechtszekerheidsbeginsel kan meebrengen dat aan reeds vervallen regelgeving en beleid moet worden getoetst, wanneer die voor de betrokkene gunstiger zijn. Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 12 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:372. Van zo’n situatie is in dit geval geen sprake. De commandant heeft laten weten dat met het schriftelijk vastleggen van de vaste gedragslijn geen wijziging is beoogd in de reeds in de praktijk toegepaste werkwijze.

4.7.

Verder heeft betrokkene betoogd dat artikel 16, eerste lid onder d van het VBD de facto een ‘dode letter’ is geworden, omdat de commandant de kosten voor aanschaf en/of huur van een muziekinstrument categorisch en ongemotiveerd afwijst. Betrokkene verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Raad van 1 december 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU9150). Dit betoog slaagt evenmin. Anders dan in de door betrokkene aangehaalde uitspraak is met de Aanwijzing geen categoriale afwijzingsgrond gecreëerd waardoor het beleid, zonder dat het is ingetrokken of gewijzigd, feitelijk buiten werking wordt gesteld. Ingevolge de Aanwijzing komen diverse kosten wel voor vergoeding in aanmerking.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

Hoger beroep van de commandant - bestreden besluit 2

4.10.

De commandant heeft met juistheid betoogd dat de vraag of over een dwangsom loonheffing is verschuldigd ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen (Awr), moet worden beantwoord door de Inspecteur van de Belastingdienst. Ingevolge voornoemd artikel wordt voor de mogelijkheid van beroep onder meer de inhouding door een inhoudingsplichtige gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 22 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1850) betekent dit dat een bezwaar tegen de inhouding van loonbelasting bij een (militair) ambtenaar niet bij het bevoegd gezag van de (militair) ambtenaar moet worden gemaakt maar bij de inspecteur. Dit betekent dat dit aspect in de voorliggende procedure niet aan de orde kan komen.

4.11.

Betrokkene is het niet eens met bestreden besluit 2, uitsluitend wat betreft het inhouden van loonheffing over de dwangsom. Het lag dus in de rede om, zoals ook is gedaan door de commandant, het beroep op dit punt als bezwaar door te sturen naar de inspecteur van belastingen.

4.12.

De rechtbank heeft wat in 4.10 en 4.11 is overwogen niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigd moet worden.

Nader besluit

4.13.

Betrokkene heeft aangevoerd dat uitsluitend de vergoeding van kosten voor de huur van een muziekinstrument nog in geding is zodat het nader besluit van 25 april 2014 niet in de procedure wordt betrokken.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op bestreden besluit 1;

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

7 oktober 2013 gegrond is verklaard en opdracht is gegeven hierover een nieuwe beslissing

op bezwaar te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2015.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD