Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
14/1204 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering. Niet gemelde gezamenlijke huishouding. Deels onvoldoende onderbouwde wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1204 ANW

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2014, 13/1189 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (Frankrijk) (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.F.M. van Vlijmen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Appellante, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vlijmen. De Svb, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 augustus 2004 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). In januari 2009 heeft zij haar woning te Almere verkocht en is zij ingetrokken bij [naam] (S) in diens woning te Almere. In mei 2009 zijn appellante en S samen verhuisd naar Frankrijk. Per e-mailbericht van 17 mei 2009 heeft appellante de Svb bericht dat zij en haar kinderen op 27 mei 2009 verhuizen naar Frankrijk. Appellante heeft hierbij niet vermeld dat S met haar meeging. Appellante heeft de door de Svb in april 2010 en in april 2011 verstrekte formulieren ‘levensbewijs’ ingevuld en ondertekend retour gezonden. In deze formulieren, gedagtekend 19 mei 2010 en 24 juni 2011, heeft appellante aangekruist dat zij ongehuwd/alleenstaand is. In vak B van de formulieren “Gegevens van uw huisgenoot (echtgenoot, familielid of iemand anders die bij u in huis woont)” heeft appellante niets ingevuld en zij heeft de vraag of de gegevens in vak B kloppen bevestigend beantwoord.

1.2.

Bij e-mailbericht van 27 mei 2012 heeft S de Svb gemeld dat appellante sinds 1 januari 2006 met hem samenwoont. Naar aanleiding van deze melding heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek (BO) van de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende Anw-uitkering. In dat kader heeft de afdeling BO onderzoek op internet gedaan en aan appellante en S een checklist toegezonden ter beoordeling of een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd (checklist). Op de door appellante retour gezonden checklist, gedagtekend 8 juni 2012, is bij ‘woonsituatie’ vermeld: “situatie sedert 5-2009”. In de checklist is onder meer vermeld dat op het vermelde adres in Frankrijk feitelijk ook S verblijft, dat appellante de woonkosten en de kosten van de huishouding draagt, kookt, de boodschappen doet en ook de huishoudelijke werkzaamheden, de was en de strijk, dat appellante en S bijna altijd gezamenlijk eten en de avonden gezamenlijk doorbrengen, dat S met enige regelmaat klusjes in en rond het huis doet en het gras maait, dat appellante en S, indien nodig, elkaar verzorgen bij ziekte, dat een enkele keer gezamenlijke uitjes of vakanties worden ondernomen en dat appellante en S samen bezoek afleggen en ontvangen. Bij een met de checklist meegezonden brief van 8 juni 2012 heeft appellante onder meer het volgende verklaard. Toen zij bij S was ingetrokken, ontstond het idee om S bij appellante te laten inwonen als klusjesman. S heeft zijn huurwoning opgezegd en is met appellante en haar kinderen verhuisd naar Frankrijk. S, de klusjesman, ontpopte zich snel tot een profiteur die de klusjes deed wanneer het hem uitkwam. S oefende terreur uit op appellante en haar kinderen in de vorm van agressief en bedreigend gedrag. Op Pinksterzondag (2012) voelde appellante zich zo bedreigd dat zij naar de politie is gegaan om aangifte te doen. Voor het gevoel van appellante is nooit sprake geweest van een gezamenlijke huishouding met S.

1.3.

De Svb heeft in de resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 31 juli 2012, aanleiding gezien om bij besluit van 7 september 2012 de nabestaandenuitkering van appellante over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 april 2012 (te beoordelen periode) in te trekken en bij besluit van 11 september 2012 de over deze periode ten onrechte betaalde nabestaandenuitkering tot een bedrag van € 46.438,36 van appellante terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 18 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 7 en 11 september 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan melding te maken aan de Svb, in de te beoordelen periode met S een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat niet is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Zij verwijst in dit verband naar de bij het hoger beroepschrift gevoegde verklaringen, waarin wordt vermeld hoe de feitelijke situatie was tussen appellante en S, en stelt dat op grond daarvan duidelijk is dat nimmer sprake is geweest van een zorgrelatie. Appellante tekent daarbij aan dat zorg niet gelijk te stellen is met terreur en een psychische overmachtshandhaving. Voorts voert appellante aan dat het manipulatieve gedrag van S ertoe heeft geleid dat zij nimmer melding heeft gemaakt van samenwonen en dat zij zich er ook niet van bewust is geweest dat zij fraudeerde, omdat in Frankrijk een nabestaandenuitkering alleen afhankelijk is van inkomsten. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat in haar geval sprake is van dringende redenen om geheel dan wel gedeeltelijk af te zien van intrekking dan wel terugvordering van haar nabestaandenuitkering. Zij wijst er in dit verband op dat S het gezin terroriseerde, dat appellante onder een zeer hoge emotionele en psychische druk stond, veroorzaakt door S, en dat wanneer appellante zich niet heeft gehouden aan enige voor haar uit de Anw voortvloeiende verplichting, dit komt door manipulatie en overmacht van S, waartegen appellante zich niet kon verzetten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van een nabestaandenuitkering is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan de Svb is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op de Svb rust.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Niet in geschil is dat appellante en S in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning - van januari 2009 tot en met eind mei 2009 in Nederland

(periode Nederland) en van eind mei 2009 tot en met 30 april 2012 in Frankrijk (periode Frankrijk) -, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Daarbij is van belang dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk is dat de door ieder van beiden geboden zorg ten opzichte van elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.5.

Uit het bestreden besluit blijkt dat de feitelijke grondslag van het standpunt van de Svb dat in de te beoordelen periode aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan, wordt gevormd door de door appellante ingevulde checklist en haar aanvullende verklaring van 8 juni 2012. Wat appellante op de checklist heeft ingevuld, ziet echter, gelet op de vermelding “situatie sedert 5-2009” en op wat zij in de checklist heeft vermeld, uitsluitend op de periode Frankrijk. De checklist biedt dan ook geen feitelijke grondslag voor het standpunt van de Svb dat ook in de periode Nederland sprake was van wederzijdse zorg tussen appellante en S. De aanvullende verklaring van appellante van 8 juni 2012 biedt evenmin enige feitelijke grondslag voor dat standpunt. Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van de Svb, desgevraagd, geen concrete gegevens kunnen aanwijzen waaruit blijkt dat in de periode Nederland sprake was van wederzijdse zorg tussen appellante en S.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat in de periode Nederland niet is voldaan aan het zorgcriterium. Dit betekent dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat in die periode sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en S. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

4.7.

In navolging van de Svb heeft de rechtbank haar oordeel dat ook in de periode Frankrijk sprake was van wederzijdse zorg tussen appellante en S mede doen steunen op de door appellante in de checklist genoemde omstandigheid dat zij en S samen eten, samen de avonden doorbrengen en samen bezoek afleggen en ontvangen. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1924, heeft overwogen, hoeft het gezamenlijk ondernemen van activiteiten niet noodzakelijkerwijs gepaard te gaan met enige vorm van verzorging in de zin van artikel 3, derde lid, van de Anw. De Svb heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval de hiervoor genoemde gezamenlijke activiteiten van appellante en S gepaard zijn gegaan met enige vorm van verzorging van de één voor de ander.

4.8.

Voor het overige bieden de checklist en de aanvullende verklaring van appellante van

8 juni 2012 voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat in de periode Frankrijk wel is voldaan aan het zorgcriterium. Wat betreft de zorg van appellante voor S, blijkt uit deze stukken dat S in de woning van appellante te Frankrijk mocht wonen zonder daarvoor te hoeven betalen en dat appellante alle huishoudelijke taken op zich nam. Wat betreft de zorg van S voor appellante blijkt uit de checklist dat S regelmatig klusjes in en rond het huis deed en het gras maaide. Dat appellante vanwege het gedrag van S zelf geen zorgrelatie aanwezig achtte en dat de verklaringen die zij in hoger beroep heeft overgelegd, het door haar geschetste, negatieve beeld van S bevestigen, kan hierbij geen rol spelen. Immers, de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard en de subjectieve beleving van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.9.

Gelet op 4.8 bestaat voldoende grond voor het oordeel dat in de periode Frankrijk sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en S. Gelet op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, in verbinding met het tweede lid, van de Anw, betekent dit dat appellante in de periode van 1 juni 2009 tot en met 30 april 2012 geen recht op nabestaandenuitkering had. Appellante heeft in strijd met de ingevolge artikel 35 van de Anw op haar rustende inlichtingenverplichting aan de Svb in die periode geen juiste opgave van haar woon- en leefsituatie gedaan. Voor zover appellante heeft willen betogen dat haar hiervan geen verwijt treft, omdat zij als gevolg van het gedrag van S niet aan haar inlichtingenverplichting kon voldoen en zij zich er niet van bewust was dat zij melding moest maken van haar samenwoning met S, treft dit betoog geen doel. Artikel 35 van de Anw is immers een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Afgezien daarvan heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was een juiste opgave te doen van haar woon- en leefsituatie en had het haar reeds gelet op de in 1.1 genoemde levensbewijzen duidelijk moeten zijn dat zij had moeten melden dat zij samenwoonde met S.

4.10.

Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is aan appellante over de periode van 1 juni 2009 tot en met 30 april 2012 ten onrechte nabestaandenuitkering verleend, zodat de Svb op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw gehouden was deze uitkering over die periode in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld. De Svb heeft een beleid ontwikkeld voor het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Uit 4.9 volgt dat dit niet het geval is. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw of, conform het beleid van de Svb, kennelijke onredelijkheid of beperkte verwijtbaarheid, welke ertoe zouden nopen om geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking met terugwerkende kracht af te zien is, zo volgt eveneens uit 4.9 (slot), geen sprake. Van verwijtbaarheid aan de kant van de Svb is in het geheel niet gebleken.

4.11.

Uit 4.6 en 4.10 volgt dat de intrekking over de periode van 1 januari 2009 tot en met

31 mei 2009 geen stand kan houden en de intrekking over de periode van 1 juni 2009 tot en met 30 april 2012 wel. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van de nabestaandenuitkering over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2009, vernietigen wegens strijd met de wet. Omdat het besluit tot terugvordering als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal de Raad het bestreden besluit ook vernietigen voor zover het de terugvordering betreft. Tevens ziet de Raad aanleiding het besluit van 7 september 2012 te herroepen voor zover het betreft de intrekking van de nabestaandenuitkering over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2009, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en dit gebrek niet kan worden hersteld.

4.12.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg aan het voorgaande moet worden gegeven. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.12.1.

Gelet op 4.11 heeft de Svb de over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2009 aan appellante betaalde nabestaandenuitkering ten onrechte teruggevorderd. De Svb was op grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw wel gehouden de onverschuldigd uitgekeerde nabestaandenuitkering over de periode van 1 juni 2009 tot en met 30 april 2012 van appellante terug te vorderen. Appellante heeft wel gesteld dat zich dringende redenen voordoen als bedoeld in artikel 53, vierde lid, van de Anw om geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien, maar heeft niet onderbouwd dat en in welk opzicht de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor haar heeft.

4.12.2.

Er zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten worden gemaakt. Dit betreft een financiële uitwerking die de Raad in dit geval zelf kan maken op basis van het in beroep door de Svb overgelegde overzicht van de bedragen aan nabestaandenuitkering die in de periode in geding maandelijks aan appellante zijn uitbetaald en teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 46.438,36. Op dit totaalbedrag dienen de in de maanden januari tot en met mei 2009 uitbetaalde en teruggevorderde bedragen van

€ 1.137,20 in mindering te worden gebracht, in totaal dus (5 x € 1.137,20 =) € 5.686,-. De terugvordering beslaat dus een bedrag van (€ 46.438,36 - € 5.686,- =) € 40.752,36.

4.13.

In wat is overwogen in 4.12.2 ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 juni 2009 tot en met 30 april 2012 vast te stellen op € 40.752,36.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 januari 2013 voor zover het

betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2009 en de

terugvordering;

- herroept het besluit van 7 september 2012 voor zover het betreft de intrekking over de

periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2009;

- stelt het bedrag van de terugvordering vast op € 40.752,36 en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 18 januari 2013;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.F. Claessens en

L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) B. Fotchind

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD