Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3600

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
14/2040 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Sprake van recidive. Appellant is niet verschenen op een oproep voor re-integratie. Wel maatwerk. Verwijtbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2040 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 maart 2014, 13/6308 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Achttienribbe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Achttienribbe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.E. Carter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en Bijstand (WWB).

1.2.

Bij brief van 22 augustus 2012 heeft het college aan appellant een schriftelijke waarschuwing opgelegd wegens het niet nakomen van zijn arbeidsverplichtingen doordat hij niet is verschenen bij een sollicitatietraining op 13 augustus 2012 en geen CV en sollicitatiebewijzen heeft geleverd tijdens het gesprek op 22 augustus 2012. Daarbij is appellant erop gewezen dat een volgend verzuim mogelijk wel gevolgen kan hebben voor zijn bijstand.

1.3.

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant verlaagd met 30% voor de duur van een maand met ingang van 1 februari 2013 op de grond dat hij in de week van 21 januari 2013 niet is verschenen op een introductietraining in het kader van het traject Participatieplaatsen (PAP) trede 3.

1.4.

In februari 2013 is appellant aangemeld voor het traject Herstelling, Werk & Uitvoering (HWU) bij het Re-integratiebedrijf Amsterdam (RBA). Op 20 februari 2013 heeft een intakegesprek met appellant plaatsgevonden. Tijdens het gesprek is besproken dat appellant zal deelnemen aan een oriëntatieperiode Nijverheid. Bij brief van 7 maart 2013 is appellant opgeroepen te verschijnen op 21 maart 2013 bij het RBA voor een oriëntatieperiode in het kader van het HWU-traject. Daarbij is vermeld dat de oriëntatieperiode maximaal zes weken duurt en start op 21 maart 2013 en dat de werktijden zijn: maandag tot en met donderdag van 07:30 uur tot 17:00 uur. Appellant is op donderdag 21 maart 2013 verschenen. Vanaf maandag 25 maart 2013 is appellant niet meer verschenen, waarna het college bij besluit van 9 april 2013 de bijstand van appellant heeft verlaagd met 30% voor de duur van een maand met ingang van april 2013.

1.5.

Bij brief van 15 april 2013 is appellant opnieuw opgeroepen te verschijnen op 16 mei 2013 bij genoemd traject bij het RBA. Op 16 mei 2013 heeft appellant zich telefonisch afgemeld met de mededeling dat hij het niet ziet zitten om fysiek arbeid te verrichten.

1.6.

Bij besluit van 23 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 september 2013 (bestreden besluit), heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant verlaagd met 100% voor de duur van een maand met ingang van 1 juni 2013 omdat hij niet is verschenen bij het RBA op 16 mei 2013 voor een oriëntatieperiode in het kader van het HWU-traject. Hierbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het HWU-traject bij het RBA na het mislukken van het PAP-traject passend is voor appellant, omdat het bestaat uit een oriëntatieperiode en vervolgens het ontwikkelen van werknemersvaardigheden. Door niet te verschijnen op het traject is appellant zijn arbeidsverplichtingen niet nagekomen. Gelet op de besluiten van 6 februari 2013 en van 9 april 2013 is sprake van recidive, zodat de bijstand gedurende één maand met 100% is verlaagd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de relevante wettelijke bepalingen naar de aangevallen uitspraak verwijst.

4.1.

Vaststaat dat appellant op 16 mei 2013 niet is verschenen bij het RBA voor een oriëntatieperiode in het kader van het HWU-traject.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat het hem niet kan worden verweten dat hij niet is verschenen, omdat het HWU-traject niet passend is voor hem. Het college heeft nagelaten het vereiste maatwerk te leveren.

4.3.

Uit de gedingstukken en het bestreden besluit blijkt dat het college heeft geprobeerd appellant zo snel mogelijk richting regulier werk te bemiddelen via het PAP-trede 3 traject. Na het mislukken van dit traject omdat appellant op een substantieel deel van de bijeenkomsten niet was verschenen, heeft het college gekozen voor een HWU-traject bij het RBA. Dit traject bestaat uit een oriëntatieperiode en vervolgens het ontwikkelen van werknemersvaardigheden waaronder het op tijd zijn, afspraken maken en nakomen, algemene regels nakomen, gezagsverhoudingen accepteren en in staat zijn productie te leveren. De oriëntatieperiode is nodig om het voor appellant juiste vervolgtraject te kunnen bepalen en duurt maximaal zes weken gedurende vier dagen per week. Gelet hierop heeft het college een voldoende zorgvuldige, op de persoon van appellant toegesneden, afweging gemaakt. Daar komt bij dat het aan het college in om te bepalen welke re-integratievoorziening voor appellant passend is.

4.4.

Door op 16 mei 2013 zonder gegronde reden niet te verschijnen bij het RBA, heeft appellant niet voldaan aan de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende arbeidsverplichtingen. Niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was dan ook gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand te verlagen. Appellant heeft niet bestreden dat het college de bijstand in overeenstemming met de Maatregelenverordening Inkomensvoorzieningen heeft verlaagd. De omstandigheid dat appellant in eerste instantie was verschenen bij het RBA voor de eerdere oriëntatieperiode en daarna niet meer, vormt geen grond om de verlaging op een lager bedrag vast te stellen. Van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien is niet gebleken. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank weliswaar gesteld dat hij zijn huis is kwijtgeraakt, in de schuldsanering kwam en nu bij familie woont, maar hij heeft deze stellingen ook in hoger beroep niet nader onderbouwd.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.G. van den Berg

HD