Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
14/5174 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een bijstandsuitkering toe te kennen. Gegevens opgevraagd langer dan drie maanden voor de aanvraag. Appellant geeft aan dat hij minimalistische heeft geleefd. Appellant heeft onvoldoende inzicht verschaft over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5174 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

31 juli 2014, 14/1296 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 11 september 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld dat hij bij zijn broer inwoont. Tijdens het startgesprek op 23 september 2013 heeft appellant onder meer verklaard dat zijn broer niet voorziet in zijn levensonderhoud. Verder heeft hij verklaard dat hij in september 2011 voor het laatst heeft gewerkt, dat hij sindsdien geen inkomsten meer heeft ontvangen en dat hij van zijn spaargeld heeft geleefd.

1.2.

Bij brieven van 28 oktober 2013 en 18 december 2013 heeft het college appellant verzocht om informatie te verstrekken over zijn financiële situatie in de periode voorafgaande aan de bijstandsaanvraag om vast te stellen of appellant ten tijde van de aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. In dat kader heeft het college appellant gevraagd bankafschriften en schuldbewijzen over de periode van 1 september 2012 tot

1 september 2013 over te leggen. Verder heeft het college appellant gevraagd een schriftelijke verklaring, onderbouwd met deugdelijke bewijsstukken, over te leggen waaruit blijkt hoe appellant in de hiervoor genoemde periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

1.3.

Op 3 januari 2014 heeft appellant de in 1.2 gevraagde schriftelijke verklaring overgelegd. Appellant heeft, samengevat, verklaard dat hij vanaf 1 september 2012 nooit geld heeft geleend, dat hij minimalistisch leeft, dat hij af en toe bij familie eet, dat hij niet structureel door familie wordt onderhouden en dat zijn maaltijden niet meer dan € 0,40 per dag kosten.

1.4.

Bij besluit van 9 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant niet de noodzakelijke gevraagde inlichtingen over zijn inkomenssituatie in de periode voorafgaande aan de bijstandsaanvraag heeft verstrekt. Uit de wel door appellant overgelegde rekeningoverzichten blijkt dat in de periode van 1 september 2012 tot en met

18 september 2013 slechts een bedrag van € 150,00 contant is opgenomen en een bedrag van circa € 12,00 is betaald in winkels. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ruim een jaar heeft geleefd van ongeveer € 160,00 en daarmee onvoldoende inzicht verschaft over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Gelet hierop kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 11 september 2013 tot en met 9 januari 2014.

4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Het bijstandverlenend orgaan is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie in de periode die voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.3.

Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het college niet gerechtigd was om vanaf 1 september 2012 bankafschriften op te vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333) is het bijstandverlenend orgaan gerechtigd een onderzoek te doen, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen. In het kader van dat onderzoek kan het bijstandverlenend orgaan van de betrokkene zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college, gelet op het feit dat het dienstverband van appellant per 1 september 2011 is beëindigd en vanaf dat moment geen inkomensgegevens van appellant bekend zijn, gerechtigd was over een langere periode dan de gebruikelijke drie maanden (financiële) gegevens van appellant op te vragen.

4.4.

Voorts heeft appellant betoogd dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld en in dat kader verwezen naar de uitspraak van de Raad van 3 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1961. Ook dit betoog faalt. Anders dan in die uitspraak het geval was, heeft appellant onvoldoende gegevens overgelegd om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Bovendien roepen de gegevens die appellant heeft overgelegd, te weten de schriftelijke verklaring van 3 januari 2014 en de bankafschriften, juist veel vragen op over de wijze waarop appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

4.5.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft in de wijze waarop hij voorafgaand aan zijn aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt niet alleen dat hij gedurende ruim een jaar slechts € 150,- contant heeft opgenomen en circa € 12,- heeft uitgegeven in winkels, maar ook dat hij over de periodes van 1 september 2012 tot en met

11 januari 2013 en 22 juli 2013 tot en met 18 september 2013 helemaal geen transacties heeft verricht. Appellant heeft enkel een door hemzelf opgestelde verklaring overgelegd waarin hij aangeeft minimalistisch te leven. Het is echter niet aannemelijk te achten dat appellant in een periode van ruim een jaar heeft geleefd van € 162,- en dat hij voor niet meer dan € 0,40 per dag heeft besteed aan eten. Dat appellant in die periode ook af en toe bij familie heeft gegeten, heeft hij niet met nadere stukken onderbouwd. Ook het enkele gegeven dat in Suwinet geen aanwijzingen zijn gevonden dat appellant inkomen heeft genoten, rechtvaardigt niet de conclusie dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Appellant kan, naast het hebben van spaargeld, immers ook andere bronnen van inkomen en/of vermogen hebben gehad.

4.6.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen heeft appellant onvoldoende gegevens verstrekt om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Appellant heeft hierdoor niet voldaan aan de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting op grond waarvan niet is vast te stellen of hij in de te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) J.L. Meijer

HD