Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3588

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/5091 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellante niet onzorgvuldig is verricht en dat de beperkingen voor het verrichten van arbeid goed zijn weergegeven in de FML. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5091 WIA

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 augustus 2014, 13/6236 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft het Uwv desgevraagd nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2015. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving een loonaanvullingsuitkering (LAU), op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%.

1.2.

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 1 juni 2015 niet langer recht op een LAU bestaat, onder de overweging dat appellante met ingang van 16 mei 2013 65 tot 80% arbeidsongeschikt is en zij niet voldoet aan de inkomenseis. Met ingang van 1 juni 2015 heeft appellante recht op een vervolguitkering (VVU) op grond van de Wet WIA.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 mei 2013 heeft het Uwv bij besluit van 24 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2.

Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht waarbij de beschikbare medische gegevens zijn meegewogen. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 augustus 2013, opgesteld door een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. In de arbeidskundige rapporten, gelezen in onderlinge samenhang, heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toereikend gemotiveerd dat appellante uitgaande van de FML van 19 augustus 2013 in staat is de geduide functies assistent consultatiebureau (SBC-code 372091), machinaal metaalbewerker

(SBC-code 264122) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) te verrichten.

2.3.

Op basis van deze functies heeft die arbeidsdeskundige appellantes verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 76,9%. De beroepsgrond over de noodzakelijke aanwezigheid van een douche binnen 50 meter van de werkplek slaagt niet, omdat in de geduide functies binnen 50 meter van de werkplek een toilet is. Van appellante mag verwacht worden dat zij zelf eventuele aanvullende maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van een luier, kan treffen. De beroepsgrond dat het Uwv is uitgegaan van een opleidingsniveau waarbij appellante een VMBO-opleiding heeft voltooid, faalt eveneens nu het Uwv is uitgegaan van niveau 2, hetgeen overeenkomt met een voltooide opleiding basisschool en niet met een voltooide VMBO-opleiding. De beroepsgrond dat appellante geen veiligheidsschoenen kan dragen, treft geen doel, omdat in de functies waarop de schatting is gebaseerd geen veiligheidsschoeisel is voorgeschreven en appellante evenmin medisch heeft onderbouwd dat zij dergelijk schoeisel niet kan dragen.

3. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat het Uwv haar medische beperkingen heeft onderschat en dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellante niet onzorgvuldig is verricht en dat de beperkingen voor het verrichten van arbeid goed zijn weergegeven in de FML van 19 augustus 2013. Appellante is op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv gezien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond. Beide verzekeringsartsen hebben het dossier bestudeerd, waaronder de medische informatie van Altrecht Psychosomatiek van 12 juni 2012. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.2.

De rechtbank wordt voorts gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellante. Zij heeft de door appellante aangevoerde gronden betreffende de passendheid van die functies afdoende besproken en deugdelijk gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Nu appellante in hoger beroep heeft volstaan met een herhaling van de bij de rechtbank ingediende arbeidskundige gronden, volstaat een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep appellantes verlies aan verdiencapaciteit met ingang van 16 mei 2013 onjuist heeft vastgesteld op 76,9%.

4.3.

Daarvan uitgaande heeft de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellante met ingang van 1 juni 2015 niet langer recht op een LAU bestaat.

4.4.

Hetgeen in 4.1 tot 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2015.

(getekend) P.H. Banda

(getekend) M.S.E.S. Umans

NK