Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/983 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaste rechtspraak dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Het betreft hier een herhaalde aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong per [datum] 2002, zowel voor het verleden als voor de toekomst. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, bevat de overgelegde medische informatie geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De door appellant in beroep overgelegde stukken, die niet bij het Uwv bekend waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, worden volgens vaste rechtspraak niet betrokken bij een 4:6 beoordeling. Geen aanknopingspunten om het medische standpunt voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/983 WAJONG

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

6 januari 2014, 13/4613 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is door mr. H. Zahi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [geboortedatum] 1984, heeft op 12 juni 2003 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in verband met vermoeidheid en regelmatig ziek zijn. Daarbij is vermeld dat appellant nierpatiënt is, een niertransplantatie heeft gehad en bekend is met hoge bloeddruk. Bij besluit van 22 september 2003 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van [datum] 2002 (zijn 18e verjaardag) een Wajong-uitkering toe te kennen omdat hij op die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Het loonverlies bedroeg 0%. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Op 22 mei 2006 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met zware vermoeidheids- en gewrichtsklachten als gevolg van nierinsufficiëntie. Bij besluit van

9 november 2006 heeft het Uwv geweigerd appellant ingaande 8 juni 2006 een

Wajong-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is door de uitspraak van de Raad van 18 november 2009 (08/2608 Wajong) in rechte onaantastbaar geworden.

1.3.

Appellant heeft op 26 februari 2013 opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend in verband met nierproblemen, een schizotypische persoonlijkheid en een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Bij besluit van 6 mei 2013 heeft het Uwv de aanvraag onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 augustus 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 augustus 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant bij zijn herhaalde Wajong-aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld. De rechtbank heeft overwogen dat de verslechtering van de gezondheid van appellant na 2006 geen betrekking heeft op de datum in geding, zijnde zijn 17e verjaardag. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant blijkens de medische informatie sinds zijn 16e levensjaar psychische klachten heeft, dat deze dus bekend waren en naar voren gebracht hadden kunnen worden ten tijde van de beoordeling van de eerdere aanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv bij het bestreden besluit dan ook mogen weigeren terug te komen van de besluiten van 22 september 2003 en 9 november 2006.

3.1.

In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat bij hem een persoonlijkheidsstoornis en PTSS is gediagnosticeerd. Dit moet als een nieuw feit gezien worden. Hieraan doet naar de mening van appellant niet af dat hij van zijn psychische klachten, die hij sinds zijn

16e levensjaar heeft, geen melding heeft gemaakt gedurende de eerdere procedure. Appellant heeft in de periode na het eerste besluit ernstige psychische klachten ondervonden en is door de gemeente ’s-Hertogenbosch in het kader van de uitvoering van de Wet werk en bijstand volledig arbeidsongeschikt geacht.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015

(ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Uit de aanvraag en het bezwaarschrift valt af te leiden dat het hier een herhaalde aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong per [datum] 2002 betreft, zowel voor het verleden als voor de toekomst.

4.2.

In dit geval dient beoordeeld te worden of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat de overgelegde medische informatie, in het bijzonder die van Psygis Quarant van juli 2012, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb bevat.

4.3.

Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, is dat het geval. De overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven.

4.4.

Voorts wordt geoordeeld dat de in beroep overgelegde informatie van de gemeente

‘s-Hertogenbosch van 7 augustus 2013 buiten beschouwing moet worden gelaten. Volgens vaste rechtspraak kan bij de beoordeling van het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op een weigering terug te komen van het oorspronkelijke besluit niet worden betrokken de door appellant in beroep overgelegde stukken, die niet bij het Uwv bekend waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Gewezen wordt op de uitspraak van 30 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8674.

4.5.

Appellant heeft voorts niet uiterlijk in bezwaar feiten of omstandigheden vermeld die aanleiding kunnen geven tot een ander, voor hem gunstiger besluit dan het besluit van

22 september 2003. Zoals uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 12 augustus 2013 blijkt, is ten tijde van de beoordeling in 2003 geen enkele melding gemaakt van bestaande psychische klachten. Dit is reden voor deze verzekeringsarts om aan te nemen dat deze klachten niet van een zodanige ernst waren dat ze arbeidsbeperkingen opleverden. Er zijn in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten te vinden om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

4.7.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2015.

(getekend) P.H. Banda

(getekend) M.S.E.S. Umans

AP